Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/DAF Trucks N.V.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 mei 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:1405
Verlofdagen van zieke werknemer mochten niet door werkgever worden ingehouden, hoewel werknemer dit verlof vooraf had aangevraagd en de bedrijfsarts toestemming gaf voor het genieten van deze vakantie. Werknemer had instemming moeten verlenen voor het afboeken van deze verlofdagen.

Feiten

Werknemer is op 1 maart 2008 bij DAF Trucks N.V. (hierna: DAF) in dienst getreden in de functie van senior meettechnicus. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor Metalektro van toepassing. De arbeidsovereenkomst is inmiddels door pensionering op 7 augustus 2019 geëindigd. Medio december 2017 heeft werknemer verlof gevraagd voor een periode van 13 mei tot en met 22 juni 2018, welke verlofaanvraag op 14 december 2017 is goedgekeurd. Op 29 januari 2018 heeft werknemer zich arbeidsongeschikt gemeld. Op 3 mei 2018 is werknemer door de bedrijfsarts gezien. Tijdens het spreekuur heeft werknemer aan de bedrijfsarts bevestigd in de periode van 13 mei tot en met 22 juni 2018 op vakantie te willen gaan. Werknemer heeft dit ook met zijn leidinggevende besproken. DAF heeft vervolgens voor de door werknemer genoten vakantie 29 vakantiedagen afgeschreven. Werknemer vordert de correctie van het verlofsaldo door de afboeking van 29 dagen ongedaan te maken en deze alsnog uit te betalen. Het hof heeft vervolgens in een tussenarrest geoordeeld dat DAF niet gerechtigd was verlofdagen af te boeken, tenzij werknemer daarmee, zoals DAF stelt, zou hebben ingestemd. Vervolgens heeft het hof een mondelinge behandeling gelast om meer informatie te verkrijgen ten aanzien van de vraag of zich zijdens werknemer gedragingen of uitingen hebben voorgedaan die DAF onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen opvatten als instemming met het afboeken van verlofdagen. Die vraag spitst zich meer in het bijzonder toe op de inhoud van het gesprek van 3 mei 2018 tussen werknemer en de bedrijfsarts, en het daarop volgende contact van werknemer met zijn leidinggevende.

Oordeel

Op grond van het bepaalde in artikel 7:638, lid 8 BW mag een werknemer, in het geval waarin hij na vaststelling van vakantie ziek wordt, er in beginsel van uitgaan dat (voor zover zijn medische toestand dat toelaat en mede gelet op de gevolgen voor het re-integratieproces) de vastgestelde vakantie ook genoten kan worden zonder dat de werkgever daar verlofdagen voor afboekt. Gelet op deze wettelijke regeling kon DAF op 3 mei 2018 niet zonder meer aannemen dat de mededeling van werknemer dat hij volgens planning op vakantie zou gaan tevens inhield dat hij zich ervan bewust was dat hij daarmee ook instemming verleende met het afboeken van vakantiedagen voor die periode. Gelet op de wettelijke regeling sprak dat immers, anders dan leidinggevende aannam, niet vanzelf. Het hof merkt nog op dat de informatie die DAF in de interne internetomgeving bekendmaakt aan werknemers over de werkwijze bij verlofdagen in deze context niet doorslaggevend is. Ook als die informatie voldoende duidelijk is, zoals DAF aanvoert, blijft het nodig specifiek en concreet te overleggen met de werknemer om te bereiken dat de werknemer zich bewust is van de hiervoor genoemde gevolgen van de instemming voor de vakantiedagen. De conclusie die het hof hieruit trekt, is dat DAF onder de gegeven omstandigheden aan de verklaringen en gedragingen van werknemer op 3 mei 2018 niet in redelijkheid het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij kon instemmen met het afboeken van verlofdagen. Meer of andere relevante uitingen of gedragingen van werknemer dan de gesprekken van die dag zijn het hof niet gebleken. Nu alle direct betrokkenen hierover ter zitting zijn gehoord en consistente, op elkaar aansluitende verklaringen hebben afgelegd en van de zijde van DAF bij die gelegenheid verder niet is aangegeven welke getuigen in aanvulling daarop nog meer of anders zouden kunnen verklaren, ziet het hof af van het opdragen van bewijs op dit punt aan DAF.