Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 oktober 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:4203
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met ingang van 1 mei 2014 in dienst van werkgever getreden als kok. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor de duur van zes maanden, tot 31 oktober 2014. De vrouw van werknemer is onverwachts overleden op 4 juli 2014. Werknemer heeft geen salaris ontvangen over de maanden augustus, september en oktober 2014. Werknemer stelt een loonvordering in over deze maanden. Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat hij zich op 5 juli 2014 ziek had gemeld. Werkgever stelt dat werknemer geen recht heeft op loon over deze maanden, omdat hij op 30 juli 2014 zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Oordeel
Op grond van de getuigenverklaringen is voldoende komen vast te staan dat werknemer eind juli 2014 duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard zijn arbeidsovereenkomst met werkgever per direct te willen beëindigen. In dat kader wordt het volgende overwogen. Werkgever heeft verklaard dat werknemer hem op 30 juli 2014 heeft medegedeeld dat hij niet meer wilde werken en dat hij de arbeidsovereenkomst beëindigde en dat werknemer dit op 31 juli 2014 tegenover hem en X heeft herhaald en daarbij heeft aangegeven naar Spanje te willen gaan. Werkgever is een partijgetuige als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv. De door werkgever als getuige afgelegde verklaring kan daarom alleen bewijs in het voordeel van werkgever opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het de verklaring van werkgever voldoende geloofwaardig maakt. Dergelijk aanvullend bewijs is aanwezig in de vorm van de overige getuigenverklaringen. De verklaring van werkgever wordt in de eerste plaats bevestigd door de verklaring van X. Deze heeft immers verklaard dat werknemer op 31 juli 2014 ten overstaan van hem en werkgever heeft verklaard dat hij het niet meer zag zitten en wilde gaan verhuizen naar Spanje. Mevrouw Y heeft weliswaar een zgn. de auditu-verklaring, een verklaring van ‘horen zeggen’ afgelegd, inhoudende dat werkgever haar eind juli 2014 heeft gebeld met de mededeling dat werknemer ontslag had genomen, maar deze verklaring komt weer overeen met hetgeen werkgever en X hierover hebben verklaard. Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat Z heeft verklaard dat werknemer op 30 juli 2014 ook tegenover hem heeft verklaard geen zin meer te hebben om te blijven werken in het restaurant, waaruit eveneens kan worden afgeleid dat werknemer de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet meer wilde voortzetten. Verder is onbetwist dat werknemer zijn spullen heeft opgehaald, de sleutels heeft ingeleverd, niet meer op het werk is verschenen en eerst na ruim twee maanden aanspraak is gaan maken op loondoorbetaling. Vervolgens komt de vraag aan de orde of werkgever gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op deze verklaring van werknemer dan wel had moeten onderzoeken of werknemer daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad om ontslag te nemen. In dit verband is allereerst van belang dat aangenomen kan worden dat de mededeling van werknemer op 30 juli 2014 dat hij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen en de herhaling daarvan op 31 juli 2014 voor werkgever niet geheel onverwacht is gekomen. Uit de getuigenverklaringen van werkgever, Y en Z blijkt dat werknemer al eerder dan 30 juli 2014 verschillende keren heeft gemeld niet meer te willen komen werken. Weliswaar was dat kort na het overlijden van de echtgenote van werknemer op 4 juli 2014, maar hij is uiteindelijk bij zijn standpunt gebleven, gelet op zijn mededelingen op 30 en 31 juli 2014 (en zijn latere gedragingen). Hoewel niet onaannemelijk is dat werknemer dergelijke eerste mededelingen heeft gedaan toen hij overmand werd door emoties vanwege het overlijden van zijn echtgenote en werkgever daarop toen in eerste instantie ook bedacht moest zijn en ook daadwerkelijk was, mocht werkgever de op 30 juli 2014 door werknemer hernieuwd gedane mededeling zijn arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, zeker na de herhaling daarvan door werknemer op 31 juli 2014, begrijpen als een tot hem gerichte en gewilde opzegging, althans mocht hij daaruit opmaken dat werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ook echt wilde. Ook kan er niet aan worden voorbijgezien dat werkgever niet klakkeloos heeft aangenomen dat werknemer de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. Uit de getuigenverklaringen van hem en X blijkt immers dat werkgever, nadat werknemer daags na het overlijden van zijn echtgenote al aangaf dat hij niet meer wilde komen werken, hem daarop niet heeft vastgepind maar hem tijd heeft gegeven en dat werkgever, nadat werknemer op 30 juli 2014 had aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, op 31 juli 2014 nog met X bij werknemer is geweest om na te gaan of hij bij zijn beslissing bleef, hetgeen het geval was. Bovendien is voldoende komen vast te staan dat werknemer zich vervolgens ook heeft gedragen alsof de arbeidsovereenkomst eind juli 2014 was beëindigd. In dat kader wordt onder meer in aanmerking genomen dat vaststaat dat werknemer op 30 juli 2014 al zijn spullen uit het restaurant heeft meegenomen. Voor zover werknemer stelt dat de kantonrechter niet had mogen afgaan op de verklaringen van de door werkgever aangebrachte getuigen vanwege hun banden met werkgever, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat de getuigen in een relatie staan tot werkgever (X is een goede bekende van werkgever, Z is een werknemer van werkgever en mevrouw Y is zijn echtgenote), is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de inhoud van hun verklaringen niet juist zijn. Ook voor het overige heeft werknemer niets aangevoerd op grond waarvan zou dienen te worden getwijfeld aan de juistheid van de afgelegde getuigenverklaringen. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.