Naar boven ↑

Rechtspraak

ondernemingsraad van de Vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging Horecabond/Vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging Horecabond
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 4 oktober 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:4004

ondernemingsraad van de Vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging Horecabond/Vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging Horecabond

Het besluit van FNV Horecabond kan niet worden beschouwd als een belangrijk besluit ter zake waarvan de ondernemingsraad op de voet van artikel 25 lid 1 aanhef en onderdeel d WOR een adviesrecht toekomt. In de gegeven omstandigheden is de ontslagaanvraag voor een individuele werknemer evenmin adviesplichtig.

Feiten

De vereniging Federatie Nederlandse Vakbeweging Horecabond (hierna: FNV Horecabond) heeft op 10 april 2017 aan haar ondernemingsraad advies gevraagd over een voorgenomen organisatiewijziging, die moet leiden tot nieuwe functies en een andere verdeling van bevoegdheden binnen de organisatie. Wijziging van de pensioenactiviteiten maakt hiervan geen deel uit. Op 28 juli 2017 heeft de ondernemingsraad, op onderdelen, negatief geadviseerd over de voorgenomen organisatiewijziging. In het advies staat onder meer dat in de adviesaanvraag geen aandacht is voor de pensioenactiviteiten en de medewerkers die die werkzaamheden verrichten. De ondernemingsraad verzoekt de Ondernemingskamer onder meer te verklaren dat FNV Horecabond in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

Oordeel

Anders dan de ondernemingsraad heeft gesteld, zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling van de ondernemingsraad dat het besluit inhoudt dat FNV Horecabond haar pensioenactiviteiten stopzet. FNV Horecabond heeft besloten voor voorlichting en beleidsontwikkeling op het gebied van pensioenen meer gebruik te gaan maken van de expertise die bij de vakcentrale FNV en bedrijfstakpensioenfondsen aanwezig is in plaats van daar (voor 16 uur per week) een eigen werknemer voor in te zetten. Dit besluit hangt samen met een andere afweging omtrent de aanwending van de beschikbare subsidiegelden dan voorheen – de functie beleids- en projectmedewerker pensioenen werd gedeeltelijk (16 uur per week) met subsidie gefinancierd – en is naar stelling van de FNV Horecabond tevens ingegeven door de wens om bij de voorlichting aan de leden sociale media in te zetten, wat met name kennis en ervaring op het gebied van moderne communicatiemiddelen vergt en niet zozeer specialistische kennis van pensioenen. FNV Horecabond heeft er daarom medio 2016 voor gekozen om voor pensioenactiviteiten geen subsidie meer aan te vragen. Wat betreft advieswerkzaamheden, heeft de ondernemingsraad ter terechtzitting bevestigd dat advieswerkzaamheden op het terrein van de pensioenen aan derden worden uitbesteed.

De stelling van de ondernemingsraad dat het besluit inhoudt dat FNV Horecabond haar vertegenwoordiging in besturen van de bedrijfstakpensioenfondsen stopzet, mist een feitelijke grondslag. A maakt weliswaar sinds 1 juli 2016 niet langer deel uit van het bestuur van Pensioenfonds Horeca en Catering maar daartoe is niet besloten door FNV Horecabond. De bestuurstermijn van A liep op die datum af en A zelf had te kennen gegeven dat hij niet voorgedragen wilde worden voor herbenoeming in het bestuur. Dat FNV Horecabond daarop een ander persoon heeft voorgedragen om in dat bestuur te worden benoemd en dat in haar vertegenwoordiging in het bestuur van Pensioenfonds Recreatie, door A, geen verandering is gekomen, duidt er bovendien op dat FNV Horecabond juist onverminderd actief blijft in de besturen van pensioenfondsen. Nu van stopzetting van de pensioenactiviteiten niet is gebleken, acht de Ondernemingskamer het besluit niet van dien aard dat het kan worden gekwalificeerd als een besluit tot beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan, in de zin van artikel 25 lid 1 onderdeel c WOR, waarvoor aan de ondernemingsraad advies had moeten worden gevraagd. Ook de vraag of het besluit kwalificeert als een besluit tot belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming, wordt ontkennend beantwoord. Zelfs indien de pensioenactiviteiten aangemerkt kunnen worden als een van de kerntaken van FNV Horecabond, zoals de ondernemingsraad heeft aangevoerd met verwijzing naar het bepaalde in artikel 3 van de statuten van FNV Horecabond, is van een besluit in de zin van artikel 25 lid 1 onderdeel d WOR geen sprake. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het besluit een inkrimping van de personeelsformatie met 16 uur per week betreft en die inkrimping slechts gevolgen heeft voor één medewerker, terwijl FNV Horecabond in totaal ongeveer 53 werknemers heeft. Op zichzelf is niet uitgesloten dat een in absolute zin geringe inkrimping van werkzaamheden niettemin beschouwd kan worden als een belangrijke inkrimping in de hiervoor bedoelde zin, maar dat een dergelijke specifieke situatie zich hier voordoet is niet gebleken. Zoals hiervoor al uiteengezet, behelst het besluit dat FNV Horecabond voor voorlichting en beleidsontwikkeling op het gebied van pensioenen meer gebruik gaat maken van de expertise die er bij de vakcentrale FNV en bedrijfstakpensioenfondsen aanwezig is in plaats van daar (voor 16 uur per week) een eigen werknemer voor in te zetten en wordt advieswerk op dit gebied uitbesteed. Tegen deze achtergrond kan het besluit als zodanig niet worden beschouwd als een belangrijk besluit ter zake waarvan de ondernemingsraad op de voet van artikel 25 lid 1 aanhef en onderdeel d WOR een adviesrecht toekomt. In de gegeven omstandigheden is de ontslagaanvraag voor een individuele werknemer, A, – nog afgezien van het feit dat dit een uitvoeringshandeling betreft ter zake waarvan de ondernemingsraad geen beroepsrecht toekomt – evenmin adviesplichtig. De ondernemingsraad heeft tot slot nog gesteld dat FNV Horecabond in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van het Reglement Ondernemingsraad FNV Horecabond door niet met hem te overleggen over de vaststelling van de projectbegroting 2017. Wat daarvan ook zij, niet valt in te zien dat deze stelling kan leiden tot het oordeel dat FNV Horecabond in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Volgt afwijzing van de verzoeken van de ondernemingsraad.