Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 oktober 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:4431
werkgever/werknemer
Feiten
Werknemer is op 20 juni 1994 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgever in de functie van (laatstelijk) reclameschilder/signmedewerker tegen een brutoloon van € 2.368,60 per maand. Op 6 augustus 2012 is werknemer tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden voor werkgever, het beplakken van een trailer, gevallen van een trapje of bankje (hierna telkens: trapje/bankje) dat op een kamersteiger stond (hierna ook: het bedrijfsongeval). Bij brief van vrijdag 22 november 2013 heeft werkgever werknemer geschorst naar aanleiding van een incident dat heeft plaatsgevonden op diezelfde dag. Bij brief van maandag 25 november 2013 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen, wegens voormeld incident, eerder agressief gedrag en een poging om opdrachten van een klant van werkgever privé te verwerven. De kantonrechter oordeelde dat werknemer terecht op staande voet is ontslagen. De werkgever werd evenwel aansprakelijk gehouden voor de schade ten gevolge van het bedrijfsongeval. De vermeende schending van het concurrentiebeding werd niet aangenomen. Beide partijen zijn van dit oordeel in hoger beroep getreden.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Ontslag op staande voet – bedreigen van directeur
Naar het oordeel van het hof volgt uit de diverse getuigenverklaringen een getrouw beeld dat tussen de directeur en werknemer een woordenwisseling heeft plaatsgevonden, nadat zich eerder een incident tussen werknemer en een derde had voorgedaan, welke uitmondde in duwen en trekken, waarbij werknemer met gebalde vuisten de directeur heeft bedreigd. Dit levert een dringende reden voor ontslag op. Gegeven de voor werknemer kenbare wens van de directeur het conflict tussen werknemer en collega uit te praten, stond het werknemer niet zonder meer vrij te vertrekken toen het verloop van dat gesprek hem niet beviel. De zeggenschap van de werkgever staat daaraan in de weg.
Bedrijfsongeval – val van trapje op steiger
Tussen partijen is niet in geschil dat de door werknemer gebruikte kamersteiger in zoverre niet geheel geschikt was voor de te verrichten werkzaamheden, omdat deze niet hoog genoeg was. Werknemer maakte daarom gebruik van een extra trapje/bankje, dat werd geplaatst op de kamersteiger. Volgens lid 1 van artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit (‘Voorkomen valgevaar’) is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Volgens lid 2 is er in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen. Dat i.c. bij een hoogte van de kamersteiger van 1,80 meter geen valgevaar van 2,5 meter bestond neemt niet weg dat er bij het werken op deze hoogte een zeker valgevaar bestond. Het hof is van oordeel dat het plaatsen van een extra trapje/bankje, kennelijk benodigd om een geschikte werkhoogte te kunnen bereiken, op een steiger een risicoverhogende omstandigheid, in het bijzonder op het maken van een misstap, oplevert. Het hof neemt in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak artikel 7:658 BW niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar. Maar waar werkgever niet betwist dat werknemer al jaren met gebruikmaking van het trapje/bankje werkte, is zij tekortgeschoten in haar zorgplicht: het werk is door werkgever niet aldus georganiseerd dat gebruik gemaakt werd van een voor de benodigde werkhoogte wel geschikte steiger en er werd toegestaan dat in de praktijk van alledag een op zichzelf ongeschikte steiger werd gebruikt door deze te verhogen met een trapje/bankje. Dat getuigt niet van een gebrek aan ‘realiteitszin’ van de rechtbank maar van een structureel tekortschieten in aandacht voor veilig werken aan de zijde van werkgever. Dat directeur blijkens zijn getuigenverklaring veronderstelt dat werknemer uit gemakzucht niet de opbouwsteiger maar de ‘andere steiger’, hetgeen het hof begrijpt als de kamersteiger, heeft gebruikt past in dit beeld. Daarbij zij opgemerkt dat de in artikel 7:658 BW neergelegde verplichting van de werkgever de werkzaamheden zodanig te organiseren dat de werknemer is beschermd tegen aan zijn arbeid verbonden veiligheidsrisico’s niet slechts voortvloeit uit de sociaal-economische positie van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer, maar ook nauw verband houdt met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid zijn werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden, aldus HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD2996, NJ 1999/534. Dat werknemer ‘de meest senior werkkracht op de werkvloer’ was helpt werkgever niet, nu een werkgever ook verantwoordelijk is voor de veiligheid van ervaren werknemers en steeds rekening dient te houden met het verschijnsel dat ook die werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is, zie HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590. In aanmerking genomen dat het ongeval inmiddels meer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden, gaat het hof ervan uit dat er sprake is van een medische eindtoestand en de schade inmiddels vast te stellen of te begroten is. Het hof is daarom in beginsel niet voornemens de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen, maar de schade vast te stellen in onderhavige procedure. Het hof draagt werknemer op zo volledig mogelijk en met (medische en arbeidsdeskundige) stukken onderbouwd vóór de hierna te bepalen comparitie van partijen een schadestaat te overleggen inzicht gevend in de geleden en te lijden materiële en immateriële schade.