Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Crosby Worldwide Limited
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 24 oktober 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:9718

X/Crosby Worldwide Limited

Hoewel de arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht geen concurrentiebeding bevat is X wel gehouden tot nakoming van het concurrentiebeding dat is overeengekomen in een aandeelhoudersovereenkomst.

Feiten

X is op 5 juni 2000 in dienst getreden bij CrosbyIP. CrosbyIP maakt onderdeel uit van The Crosby Group LLC. Personeel is in staat gesteld een aandelenpakket in Crosby Worldwide Limited (hierna: Crosby) te verwerven. X heeft hiervan gebruik gemaakt en daartoe op 28 maart 2014 een aandeelhoudersovereenkomst met Crosby ondertekend. Hierin is een non-concurrentiebeding opgenomen voor de duur van twee jaar. In de aandeelhoudersovereenkomst is bepaald dat het recht van de Staat van New York daarop van toepassing is. Bij brief van 18 augustus 2016 heeft X zijn arbeidsovereenkomst met CrosbyIP opgezegd tegen 1 oktober 2016. Hij heeft daarbij tegen zijn leidinggevende gezegd dat hij bij Spanset, een klant van Crosby (geen concurrent), in dienst zou treden. X treedt echter in dienst bij RUD, dit is wel een concurrent van Crosby. Crosby heeft in eerste aanleg veroordeling van X tot nakoming van het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding gevorderd. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 9 juni 2017 geoordeeld dat X is gehouden tot nakoming van het concurrentiebeding en heeft X onder meer geboden met onmiddellijke ingang zijn werkzaamheden voor RUD te staken tot 1 oktober 2018. Na het vonnis in kort geding heeft X ontslag genomen bij RUD. X is echter voornemens om bij RUD terug te keren en komt in hoger beroep op tegen het vonnis.

Oordeel

Het hof sluit zich aan bij de overweging van de voorzieningenrechter dat het antwoord op de vraag hoe de spanning moet worden opgelost tussen enerzijds de aandeelhoudersovereenkomst waarin het concurrentiebeding is opgenomen en waarop het recht van de Staat New York van toepassing is verklaard, en anderzijds de arbeidsovereenkomst waarop het Nederlandse regime van toepassing is en waarin geen concurrentiebeding is opgenomen, in het midden kan blijven. Ook toepassing van artikel 7:653 BW staat niet in de weg aan de toewijsbaarheid van de vordering van Crosby. De aandeelhoudersovereenkomst is schriftelijk aangegaan. In deze overeenkomst is het non-concurrentiebeding opgenomen en X heeft deze overeenkomst ondertekend. Aannemelijk is dat X voldoende tijd heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud en zich te realiseren wat hij zou ondertekenen. Voor het schriftelijkheidsvereiste is voorts niet vereist dat de werknemer specifiek wordt gewezen op het feit dat het document een non-concurrentiebeding bevat. Dit betekent dat, ook indien het regime van artikel 7:653 BW zou worden toegepast, is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Vervolgens ligt de vraag voor of het non-concurrentiebeding wordt overtreden. X had te maken met de verkoopstrategieën in het algemeen, althans droeg hier in zekere mate kennis van. Verder is van belang dat X in dienst is getreden bij RUD. Vast staat dat RUD een directe en grote concurrent is van Crosby. X heeft verklaard dat zijn werkzaamheden bij RUD dienovereenkomstig zijn werkzaamheden bij CrosbyIP zijn en daaruit bestaan dat hij het doen produceren en vermarkten van hijsklemmen in Duitsland opzet. Duitsland is voor hijsklemmen de grootste afzetmarkt voor Crosby terwijl RUD, voordat de plannen daartoe in 2016 ontstonden, zelf niet op die markt in Duitsland actief was. Onder de gegeven omstandigheden leidt het geen twijfel dat X bij RUD concurrerend werkt op een wijze waarop het non-concurrentiebeding wordt overtreden. Het gaat erom dat door het overtreden van het non-concurrentiebeding door X potentieel ernstige schade aan de belangen van Crosby worden toegebracht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van Crosby op het non-concurrentiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Ook indien zou worden uitgegaan van toepasselijkheid van artikel 7:653 BW, dan leidt een belangenafweging er niet toe dat het non-concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zou moeten worden vernietigd of in duur zou moeten worden beperkt. Een periode van twee jaar is op zichzelf betrekkelijk lang, maar anderzijds moet niet uit het oog verloren worden dat X al sinds oktober 2016 op concurrerende wijze bij RUD in dienst is en dat mitigatie van de duur tot een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst in feite betekent dat Crosby geen bescherming meer aan dat beding kan ontlenen. Het voorgaande betekent dat wanneer het beoordelingskader de aandeelhoudersovereenkomst is, er ofwel aanleiding is om op grond van artikel 6:248 lid 2 BW ofwel op grond van het recht van de Staat New York tot dit oordeel te komen en het oordeel van het hof zou niet anders zijn als van een arbeidsovereenkomst zou worden uitgegaan en waarbij de maatstaf van artikel 7:653 BW zou worden toegepast.