Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 december 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:10444
Stichting STC-Group/werknemer
Feiten
Werknemer is op 1 september 2014 bij STC-Group in dienst getreden in de functie van leerlingbegeleider. Het beleid van STC-Group als onderwijsinstelling is onder meer dat ongewenst seksueel getinte aandacht in de vorm van verbaal, fysiek of non-verbaal gedrag in alle verhoudingen wordt voorkomen. Op 30 september 2016 is STC-Group geconfronteerd met een officiële klacht van een meerderjarige vrouwelijke leerling als gevolg van seksuele intimidatie door werknemer jegens haar. Van deze klacht is werknemer nog dezelfde dag door STC-Group op de hoogte gesteld met de mededeling dat in het kader van de klacht een onderzoek zal worden ingesteld, alsook dat is besloten om werknemer ‘met een time-out’ naar huis te sturen. In de periode van 4 oktober tot 10 oktober 2016 hebben zich nog vijf andere leerlingen vanuit verschillende opleidingsstromen gemeld met klachten wegens ongewenste intimiteiten door werknemer. Er heeft vervolgens een gesprek met werknemer en een onderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding van het rapport heeft STC-Group de kwestie voorgelegd aan de vertrouwensinspecteur, waarna er aangifte is gedaan bij de zedenpolitie. STC-Group verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden primair op basis van de e-grond en subsidiair op basis van de d-grond. Werknemer verzoekt bij wijze van tegenverzoek toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 30.000. Werknemer betwist de beschuldigingen.
Oordeel
Het verwijt dat STC-Group werknemer maakt, is dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel intimiderend en grensoverschrijdend gedrag tegenover zes leerlingen. De stelplicht en de bewijslast hiervan ligt bij STC-Group als werkgever. Daarbij neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de WWZ, zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht. Dat brengt mee dat het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg ligt van STC-Group om haar feitelijke stellingen, voor zover deze voldoende gemotiveerd zijn betwist door werknemer, te bewijzen. Hetgeen STC-Group thans ter onderbouwing van de primaire grondslag van haar verzoek heeft overgelegd, is nog niet voldoende om het bewijs dat werknemer zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan seksueel intimiderend en grensoverschrijdend gedrag tegenover zes leerlingen reeds geleverd te achten, zulks gelet op de (uiteindelijk ter mondelinge behandeling) voldoende gemotiveerde betwisting daarvan door werknemer. Het ligt dan ook op de weg van STC-Group nader bewijs te leveren. STC-Group heeft aangegeven daartoe getuigen te willen horen. STC-Group zal tot dat bewijs worden toegelaten als na te melden. Indien komt vast te staan dat werknemer de betreffende leerlingen heeft geïntimideerd en jegens hen grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond, leidt dat tot de conclusie dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn machts- en afhankelijkheidspositie als leerlingbegeleider, hetgeen is aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen. Op de voldragen e-grond zal dan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden uitgesproken. Op grond van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onderdeel c BW is STC-Group alsdan geen transitievergoeding aan werknemer verschuldigd. In afwachting van het te leveren bewijs door STC-Group, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.