Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 6 maart 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:882
X/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg
Feiten
X was aangesloten bij werkgeversorganisatie TLN. TLN was partij bij het Protocol Onderhandelingsakkoord (hierna: het protocol). In het protocol zijn afspraken gemaakt over de invoering per 1 januari 2002 van een prepensioenregeling. X heeft in oktober 2004 Prepensioenfonds verzocht om restitutie van de over het jaar 2002 afgedragen premies. X heeft Prepensioenfonds een vrijwaringsverklaring toegezonden. In mei 2005 heeft Prepensioenfonds vastgesteld dat X op grond van haar lidmaatschap van TLN toch gehouden was om premie te betalen. Prepensioenfonds heeft hiervoor nota’s verstuurd, maar deze zijn niet voldaan. Prepensioenfonds vordert een verklaring voor recht dat X op grond van het protocol premie verschuldigd is, alsmede betaling daarvan. De feitelijke instanties hebben de vorderingen toegewezen. De Hoge Raad heeft overwogen dat TLN bevoegd was ten laste van haar leden verplichtingen aan te gaan en dat X in beginsel ook langs die weg gebonden kan zijn. De Hoge Raad heeft overwogen dat dit evenwel niet zonder meer meebrengt dat het protocol in die zin dient te worden uitgelegd dat X met ingang van 1 januari 2002 premieplichtig is. Voor het antwoord op de vraag hoe het protocol op dit punt moet worden uitgelegd is van belang of de door X te betalen premie alleen is bestemd voor uitkeringen aan de werknemers van de aangesloten partijen, dan wel voor uitkeringen aan alle werknemers in de bedrijfstak.
Oordeel
Voor uitkeringen aan welke werknemers was de gevorderde premie bestemd?
Naar het oordeel van het hof waren enkel de werknemers van de aan het protocol gebonden werkgevers deelnemers aan de prepensioenregeling. De andere werkgevers waren immers niet aan het protocol gebonden en niet valt in te zien op welke grond werknemers van andere werkgevers in dezelfde bedrijfstak aanspraak kunnen maken op de afspraken in het protocol. Dat betekent echter niet dat kan worden vastgesteld voor welke uitkeringen aan welke werknemers de premies werden afgedragen door de aan het protocol gebonden werkgevers. De premies werden mede aangewend voor het financieren van een aanvulling op het vroegpensioen voor deelnemers die door hun leeftijd niet in staat zouden zijn om een volledig vroegpensioen op te bouwen. Aangezien de prepensioenregeling verplicht werd gesteld vanaf 20 februari 2003 lijkt het voor de hand te liggen dat de overgangsbepalingen van het protocol ook gelden voor de met ingang van 20 februari 2003 toegetreden deelnemers. Als dat juist is, dan lijkt het erop dat de aan het protocol gebonden werkgevers met de premiebetaling in de periode van 1 januari 2002 tot 20 februari 2003 hebben bijgedragen aan de financiering van alle werknemers binnen de hele bedrijfstak. Alvorens hierover te beslissen geeft het hof een bewijsopdracht.
Was de restitutie van de premies gebaseerd op een (vaststellings)overeenkomst en derhalve niet geschied zonder rechtsgrond?
In de kern gaat het om de vraag of X verplicht was tot premiebetaling op grond van het protocol. Die grondslag heeft Prepensioenfonds nimmer prijsgegeven. X heeft verzocht om restitutie. Prepensioenfonds heeft hiermee ingestemd op voorwaarde dat door X een vrijwaringsverklaring werd geretourneerd. Prepensioenfonds heeft aangevoerd dat zij instemde met het verzoek omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat X geen lid was van TLN. Weliswaar zou onder omstandigheden een premierestitutie onder voorwaarde van een vrijwaringsverklaring kunnen worden gezien als een vaststellingsovereenkomst, maar gelet op de omstandigheid dat niet aan het protocol gebonden werkgevers nog niet premieplichtig waren tot 20 februari 2003, kan in deze zaak aan de premierestitutie onder vrijwaring geen verdere strekking worden toegekend dan dat een verzoek van X tot premierestitutie is gehonoreerd vanwege het feit dat de in het protocol opgenomen regeling nog niet verplicht was gesteld. Uit niets blijkt dat partijen hebben beoogd om bindende afspraken te maken in afwijking van een eventueel tevoren bestaande andere rechtstoestand.