Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 maart 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:786
Touwen & Co/werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 4 juli 2016 voor onbepaalde tijd bij Touwen in dienst getreden in de functie van laborante. Zij heeft zich op 10 oktober 2016 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat de gezondheidsklachten een relatie lijkt te hebben met andere factoren in de werkrelatie. Werkneemster heeft haar leidinggevende erover geïnformeerd dat zij zich onveilig voelde in haar werkomgeving, onder meer omdat zij tweemaal door één specifieke directe collega onverwacht en tegen haar wil is betast, meerdere malen aan haar schouders en een keer in haar zij. Werkneemster heeft tevens aangegeven dat zij dit incident destijds heeft besproken met haar direct leidinggevende. In de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts heeft de bedrijfsarts geadviseerd om werkneemster geheel hersteld te melden. Werkneemster heeft op 18 januari 2017 een schriftelijke aanklacht ingediend bij Touwen wegens ongewenste seksuele intimidatie op de werkvloer. De dag daarna heeft Touwen werkneemster verzocht het werk te hervatten, met de mededeling dat werkneemster op staande voet zou worden ontslagen indien zij niet zou verschijnen. Bij brief van 23 januari 2017 heeft de collega het voorval integraal ontkend. Dezelfde dag heeft Touwen werkneemster op staande voet ontslagen wegens werkweigering. In het hierop door werkneemster aangevraagde deskundigenoordeel is vermeld dat geen medische grondslag aanwezig is voor arbeidsongeschiktheid, maar dat terugkeer op de werkplek pas mogelijk is als het arbeidsconflict adequaat is opgelost en er een veilige werkplek voor cliënt gegarandeerd kan worden. Werkneemster heeft in eerste aanleg verzocht om toekenning van een billijke vergoeding, daartoe stellende dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Vast staat dat werkneemster melding heeft gemaakt van de incidenten. Het lag op de weg van Touwen als werkgever om naar aanleiding van deze melding minst genomen nader onderzoek te doen naar de incidenten en vervolgens voor werkneemster een veilige werkomgeving te creëren opdat werkneemster weer kon terugkeren naar haar werk. Touwen heeft dit echter nagelaten met als gevolg dat werkneemster ook nadat zij volgens de bedrijfsarts niet langer als arbeidsongeschikt kon worden beschouwd, niet terugkeerde op haar werk. In plaats daarvan heeft Touwen de druk op werkneemster opgevoerd. Anders dan Touwen heeft gesteld had zij ook zonder een officiële klacht onderzoek kunnen doen naar het door werkneemster beschreven voorval en de nodige maatregelen kunnen nemen. Zelfs nadat werkneemster een officiële klacht had ingediend tegen haar collega, heeft Touwen nagelaten serieus onderzoek te doen naar aanleiding van de klacht. Touwen heeft slechts volstaan met het confronteren van de collega met de klacht van werkneemster en de reactie van de collega hierop die neerkomt op een integrale ontkenning, te delen met werkneemster. Ook had Touwen een vertrouwenspersoon kunnen inschakelen teneinde werkneemster het gevoel te geven dat serieus met haar klacht werd omgegaan. Zoals ook uit het deskundigenoordeel blijkt, was er sprake van een arbeidsconflict dat eraan in de weg stond dat werkneemster kon terugkeren naar haar werkplek. In dit licht bezien kan niet worden gesproken van werkweigering. Gegeven het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat Touwen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door werkneemster ten onrechte ontslag op staande voet te geven. Dit maakt dat toekenning van een billijke vergoeding op zijn plaats is.