Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 februari 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:1411
werkneemster/Burger Liner Agencies B.V.
Feiten
Werkneemster is op 1 augustus 2006 bij Burger Liner Agencies B.V. (hierna: Burger Liner) in dienst getreden als operationeel documentatiemedewerkster op de locatie Poortugaal. Op 15 maart 2016 heeft werkneemster te horen gekregen dat zij boventallig is verklaard. Zij heeft op 18 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen zowel de vrijstelling van werkzaamheden als de aanzegging. Vervolgens is bij werkneemster kanker geconstateerd en hierdoor heeft zij zich op 22 maart 2016 ziek gemeld. Tijdens haar ziekteperiode heeft Burger Liner benadrukt dat er geen continuatie van werk zou volgen, maar dat zou worden getracht met werkneemster tot een schappelijke schikking te komen. Op 30 november 2017 heeft werkneemster zich – na het advies van een bedrijfsarts – volledig hersteld en arbeidsgeschikt voor haar eigen werk gemeld. Vanaf 4 december 2017 heeft werkneemster geen werkzaamheden meer verricht. Werkneemster vordert thans Burger Liner met dwangsom te veroordelen tot tewerkstelling van werkneemster in haar normale en gebruikelijke werkzaamheden.
Oordeel
Vordering tot wedertewerkstelling
De kantonrechter stelt voorop dat de opzegging door Burger Liner niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden, nu Burger Liner aanvoert dat zij bij brief redenen – die kennelijk verband houden met een reorganisatie – voor de opzegging heeft aangevoerd maar tegelijkertijd heeft nagelaten deze brief in het geding te brengen. Daarnaast is naar het oordeel van de kantonrechter evenmin sprake van toestemming van werkneemster, een schriftelijk eenzijdig wijzigingsbeding of een zwaarwegend belang van Burger Liner dat aan het belang van werkneemster derogeert. Dit brengt met zich dat werkneemster de voorstellen van Burger Liner, om op andere locaties en in andere functies te gaan werken, terecht heeft afgewezen. Werkneemster maakt dan ook in beginsel aanspraak op wedertewerkstelling in haar eigen functie.
Bijzondere omstandigheden
Burger Liner voert aan dat de overige omstandigheden van het geval met zich brengen dat het evenwel niet redelijk zou zijn de vordering tot tewerkstelling toe te wijzen. Daartoe voert zij aan dat zij niet had hoeven wachten tot werkneemster eind november 2017 weer volledig arbeidsgeschikt voor eigen werk zou zijn, omdat de bedrijfsarts heeft aangegeven dat werkneemster naar verwachting blijvend arbeidsongeschikt voor eigen functie zou zijn. De kantonrechter begrijpt dit standpunt niet, omdat Burger Liner werkneemster reeds in maart 2016 boventallig heeft verklaard. Bovendien zijn thans enkele maanden verstreken sinds de hersteldmelding van werkneemster, zodat geen sprake (meer) kan zijn van tijdnood aan de zijde van Burger Liner om een en ander in orde te maken voor terugkeer van werkneemster. Daarnaast merkt de kantonrechter op dat Burger Liner werkneemster boventallig heeft verklaard, terwijl er op dezelfde afdeling een werknemer met een korter dienstverband werkzaam is. Burger Liner voert in dit verband aan dat hiervoor is gekozen, omdat ‘het einde van de contracten voor bepaalde tijd niet samenviel met het moment dat Burger Liner de betreffende afdeling anders wilde inrichten’. Deze handelwijze en het daarvoor aangedragen argument zijn naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de bedoeling van het arbeidsrecht.
Goed werknemerschap
Burger Liner voert verder aan dat werkneemster geen oog heeft voor de belangen van Burger Liner en dat zij op grond van goed werknemerschap is gehouden om op redelijke voorstellen van Burger Liner in te gaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is van een redelijk voorstel echter geen sprake, omdat de functie van werkneemster niet is komen te vervallen maar door een andere werknemer is overgenomen.
Overige omstandigheden
Voorts voert Burger Liner als argument om werkneemster niet te laten terugkeren in haar functie aan dat zij zich zorgen maakt over de gezondheid en belastbaarheid van werkneemster. Burger Liner wordt hierin niet gevolgd, omdat zij deze zorgen had kunnen wegnemen door een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen. Nu zij zulks heeft nagelaten, wordt in deze procedure uitgegaan van het oordeel van de bedrijfsarts (te weten: dat werkneemster volledig is hersteld voor haar eigen werk). De kantonrechter oordeelt dan ook dat de vordering tot wedertewerkstelling zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom is eveneens toewijsbaar tot een bedrag van € 500 per dag met een maximum van € 20.000.