Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/MITServ B.V.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 mei 2018
ECLI:NL:RBOBR:2018:2238

werkneemster/MITServ B.V.

Ontslag op staande voet wegens schending geheimhoudingsplicht en niet meewerken aan intern onderzoek rechtsgeldig gegeven. Vervaltermijn ex artikel 7:686a BW geldt ook voor vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie c.q. onrechtmatige daad.

Feiten

Werkneemster is op 1 september 2016 in dienst getreden bij MITServ B.V. (hierna: MITServ) in de functie van office manager. Begin januari 2018 is tussen partijen een discussie ontstaan over de vergoeding van kosten voor coaching en studie. Toen partijen hierover geen consensus konden bereiken, is vanuit MITServ voorgesteld de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Werkneemster is hiermee niet akkoord gegaan. Op 11 januari 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Vervolgens is in de nacht van 14 op 15 januari 2018 gebleken dat werkneemster sinds 11 januari 2018, met een door MITServ aan haar ter beschikking gestelde laptop, veelvuldig in het systeem van MITServ heeft ingelogd en een programma (WSCP) heeft geïnstalleerd, dat het transporteren van grote hoeveelheden data mogelijk maakt. Uit het systeem van MITServ blijkt dat er een grote datapiek op vrijdag 13 januari 2018 is te zien en dat een ex-werknemer (hierna: X) van MITServ toegang tot dit systeem heeft gekregen. Op 18 januari 2018 is werkneemster op staande voet ontslagen. Ook heeft de politie op aangifte van MITServ een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarin werkneemster en X als verdachten zijn gehoord. Werkneemster verzoekt thans een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. MITServ vordert schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.

Oordeel

Werkneemster voert aan dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet was afgerond en het ontslag op staande voet reeds om die reden voorbarig was. De kantonrechter volgt werkneemster hierin niet en oordeelt als volgt. Op het moment van ontslag was het voor MITServ duidelijk dat er bestanden waren gedownload en een ex-medewerker – die bij MITServ met een conflict is vertrokken en thans zelf een IT-onderneming drijft – toegang tot de server was verleend. Daarover heeft MITServ werkneemster willen horen. Dat werkneemster vanwege de omstandigheid dat zij als verdachte betrokken was bij een strafrechtelijk onderzoek hieromtrent geen vragen wilde beantwoorden, is volgens de kantonrechter begrijpelijk. Dat maakt echter niet dat MITServ het ontslag op staande voet in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek had moeten uitstellen.

Dringende reden

Werkneemster stelt voorts dat het haar bedoeling was alle bestanden waarin zij ooit had gewerkt te downloaden, omdat zij MITServ wantrouwt en op advies van X bewijsmateriaal wilde veiligstellen voor een eventuele ontbindingsprocedure wegens disfunctioneren. De kantonrechter is van oordeel dat deze omstandigheid het downloaden van zoveel data niet rechtvaardigt. Werkneemster heeft haar geheimhoudingsplicht geschonden door X toegang te verlenen tot de server. Daarnaast heeft de omstandigheid dat werkneemster geen medewerking heeft verleend aan het interne onderzoek door MITServ ook eraan bijgedragen dat deze laatste een dringende reden had voor het gegeven ontslag op staande voet. Het verzoek om een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, wordt derhalve afgewezen.

Vervaltermijn ex artikel 7:686a BW

Volgens werkneemster dient MITServ in haar vordering tot schadevergoeding wegens wanpresentatie c.q. onrechtmatig handelen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering niet binnen twee maanden na de dag van beëindiging van de arbeidsovereenkomst is ingediend. De kantonrechter volgt deze stelling, omdat de tegenvordering van MITServ op precies hetzelfde feitencomplex als het ontslag op staande voet is gebaseerd. Dit strookt volgens de kantonrechter ook met de bedoeling van de wetgever bij invoering van de vervaltermijn, welke (kort gezegd) erop neerkomt dat de periode van onzekerheid over het verschuldigd zijn en de hoogte van een vergoeding zo kort mogelijk moet worden gehouden.