Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Huisartsenposten Rijnmond
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 mei 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:3916

werkneemster/Stichting Huisartsenposten Rijnmond

Verzoek werkneemster tot deskundigenonderzoek afgewezen, omdat het verzoek geen betrekking heeft op feiten en omstandigheden die de grondslag vormden voor een eerder toegewezen ontbindingsverzoek (g-grond).

Feiten

Op 17 mei 2018 heeft de kantonrechter beschikking gewezen op het ontbindingsverzoek van Stichting Huisartsenposten Rijnmond (hierna: HAP Rijnmond) wegens een verstoorde arbeidsverhouding (zaaknummer: 6766794 VZ VERZ 18-6654). Het ontbindingsverzoek is toegewezen. Werkneemster verzoekt de kantonrechter thans ten spoedigste de benoeming van een deskundige te bevelen (art. 202 lid 1 Rv). Aan dit verzoek heeft werkneemster ten grondslag gelegd dat haar positie ter discussie staat, omdat de grond voor ontbinding volgens haar gelegen is in de omstandigheid dat zij een verplicht coachings-verbetertraject heeft aangeboden aan triagisten die niet aan de norm voldoen. Volgens werkneemster heeft schrapping van dit traject tot gevolg dat de kwaliteit van de zorg in het gedrang komt. Ook heeft werkneemster de sterke indruk dat HAP Rijnmond momenteel geen uitvoering geeft aan de door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGJ) geëiste verbeteringen en evenmin aan een rapportage van ir. X. Zij ziet zich om die reden zelf genoodzaakt actie te ondernemen.

Oordeel

Het deskundigenonderzoek ex artikel 202 Rv

De kantonrechter stelt voorop dat een rechter een deskundigenonderzoek in de regel dient te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend is, voldoende concreet is én feiten betreft die met het onderzoek bewezen kunnen worden. In het onderhavige geval wordt door werkneemster gesteld dat zij er belang bij heeft dat een onafhankelijke deskundige zich aan de hand van het rapport van ir. X uitlaat over de alsnog te nemen stappen, zodat de kwaliteit van de gezondheidszorg gewaarborgd blijft. De kantonrechter volgt werkneemster hierin niet. Het vaststellen van beleid en het nemen van besluiten behoren tot de verantwoordelijk van het bestuur van HAP Rijnmond, waaraan in dit verband een zekere beleidsvrijheid toekomt. HAP Rijnmond is over het gevoerde beleid verantwoording verschuldigd aan de IGJ, de raad van toezicht en de zorgverzekeraars, en dus niet aan werkneemster. Verder wordt geoordeeld dat het niet aan werkneemster, maar aan HAP Rijnmond is om te bepalen of het door ir. X gegeven advies zal worden overgenomen en of zij behoefte heeft aan een nader deskundigenadvies over eventueel te nemen stappen. Ook heeft werkneemster onvoldoende onderbouwd dat door HAP Rijnmond geen uitvoering wordt gegeven aan de benodigde verbetering. Zo is komen vast te staan dat HAP Rijnmond intensief bezig is met verbetering van het presteren van de triagisten.

Onderzoek niet relevant voor positie werkneemster

Verder wordt geoordeeld dat de door HAP Rijnmond verzochte ontbinding op de g-grond is toegewezen en dat werkneemster op geen enkele wijze een verwijt is gemaakt van het invoeren van het coachings-verbetertraject voor de triagisten dan wel van de wijze waarop werkneemster dit heeft gedaan. Met andere woorden: niet is gebleken dat werkneemster is ‘afgerekend’ op de door haar ingevoerde maatregel. Naar het oordeel van de kantonrechter valt dan ook niet in te zien dat het deskundigenoordeel tot een andere uitkomst zou kunnen leiden, nu het onderwerp waarop het verzoek zich richt geen betrekking heeft op feiten en omstandigheden die de grondslag vormen voor het ontbindingsverzoek. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat werkneemster geen rechtens te respecteren belang heeft bij een deskundigenonderzoek. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.