Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 juni 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:2796
Turbho B.V./werknemer c.s.
Feiten
Gedaagden 1, 2, 3 en 4 zijn tot en met 31 januari 2017 in dienst geweest van Hodi on Wheels. De onderneming van Hodi on Wheels is per 1 februari 2017 overgenomen door Turbho. Turbho heeft aan gedaagden 1, 2, 3 en 4 een nieuwe arbeidsovereenkomst voorgelegd. Deze overeenkomsten bevatte onder meer een concurrentie- en relatiebeding. Begin februari 2017 heeft Turbho het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst met gedaagde 4 geheel laten vervallen. In de arbeidsovereenkomsten met gedaagden 1, 2 en 3 heeft Turbho opgenomen dat het concurrentiebeding pas van kracht wordt na 1 februari 2018. Gedaagden 1 tot en met 4 zijn voornemens om te gaan werken voor een door gedaagde 6 en diens partner, gedaagde 8, op te richten vennootschap die zich zou gaan bezighouden met de verkoop van scooters, in hetzelfde marktsegment als waarin Turbho actief is. In de loop van de maand mei 2017 heeft gedaagde 1 geconstateerd dat de begin februari 2017 aan het eerste lid van artikel 15 van zijn arbeidsovereenkomst (het concurrentie- en relatiebeding) met Turbho toegevoegde passage alleen zag op het concurrentiebeding, en niet óók op het relatiebeding. Dit is vervolgens handmatig aangepast, ook bij gedaagden 2 en 3. Gedaagden 1, 2, 3 en 4 hebben eind juni 2017 hun arbeidsovereenkomst met Turbho opgezegd tegen 31 juli 2017. Op 13 juli 2017 hebben gedaagde 6, handelend voor Wautomotive, en gedaagde 8, handelend voor All-10, GTS opgericht. Gedaagden 1, 2, 3 en 4 zijn met ingang van 1 augustus 2017 bij GTS in dienst getreden. Turbho vordert onder meer dat voor recht wordt verklaard dat de twee slotzinnen voor zover die zien op het uitstel van de inwerkingtreding van het relatiebeding van het tweede lid van dat artikel 15, door Turbho buitengerechtelijk zijn vernietigd. Voorts vordert Turbho dat voor recht wordt verklaard dat gedaagden 1, 2, 3 en/of 4 het geheimhoudingsbeding, het nevenwerkzaamhedenbeding en het relatiebeding hebben overtreden. Verder vordert Turbho dat voor recht wordt verklaard dat alle gedaagden jegens Turbho onrechtmatig hebben geconcurreerd.
Oordeel
Overtreding van contractuele bedingen?
Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming van Hodi on Wheels per 1 februari 2017 is overgenomen door Turbho en dat die transitie moet worden aangemerkt als een overgang van onderneming. Turbho heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat het haar als verkrijgende vennootschap vrij stond om gebruik te maken van de juridische mogelijkheden om na de overgang, in het kader van de harmonisering van de arbeidsvoorwaarden, de inhoud van de arbeidsovereenkomst met het overgekomen personeel te wijzigen, bijvoorbeeld met hun individuele instemming. De kantonrechter verwerpt dit standpunt. Voor een zogenoemde ‘pakketvergelijking’ is dus geen plaats. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat Turbho hun niet heeft gewezen op de implicaties van artikel 7:663 BW en in het midden heeft gelaten in welk juridisch kader zij het voorstel van Turbho tot het aangaan van een nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst dienden te bezien. De conclusie is dan ook dat de bedingen van de artikelen 13, 14 en 15 van de begin februari 2017 met gedaagden 1, 2 en 3 gesloten arbeidsovereenkomsten tussen partijen niet gelden. Hetzelfde geldt voor de artikelen 13 en 14 van de toen met gedaagde 4 gesloten arbeidsovereenkomst. In plaats daarvan gelden ook na de overgang alleen het geheimhoudings- en nevenwerkbeding, zoals die waren opgenomen in de arbeidsovereenkomsten met Hodi on Wheels. Dan resteert daarom alleen nog de vraag naar de beweerde overtreding van het geheimhoudings- en nevenwerkbeding, waaraan gedaagden 1, 2, 3 en 4 vóór 1 februari 2017 jegens Hodi on Wheels al gebonden waren. Ook de daarop gebaseerde vordering van Turbho is niet toewijsbaar. De kantonrechter overweegt daaromtrent het volgende. Turbho betoogt dat het ‘niet anders mogelijk’ is dan dat gedaagden 1, 2, 3 en 4 in hun werkzaamheden voor of betrokkenheid bij GTS gebruikmaken van haar vertrouwelijke bedrijfsgegevens, maar concreet heeft zij in dat kader niet meer gesteld dan dat de lijst van klanten van Turbho bij GTS terecht is gekomen en dat gedaagde 1 bij e-mail van 2 mei 2017 (een deel van) het marketingplan van Turbho, alsmede VWE-branchegegevens aan gedaagde 6 heeft gestuurd. Voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht dat artikel 14 (verbod op nevenwerkzaamheden) is overtreden, is die vordering niet toewijsbaar, omdat laatstbedoeld beding ertoe strekt te verzekeren dat de goede vervulling van de functie van werknemers in dienst van werkgever niet wordt belemmerd of beperkt doordat zij daarnaast voor een ander werkzaamheden verrichten. De strekking van het beding is dus niet om werknemers van bezigheden af te houden waardoor hun werkgever concurrentie kan worden aangedaan. Dáarvoor dient een concurrentiebeding.
Onrechtmatige concurrentie?
De kantonrechter gaat ervan uit dat voldaan is aan de vereisten van stelselmatigheid en substantialiteit. Anders dan Turbho betoogt, is naar het oordeel van de kantonrechter evenwel niet voldaan aan het vereiste voor onrechtmatigheid van werknemersconcurrentie, dat sprake moet zijn van het afbreken van haar duurzaam bedrijfsdebiet, en dat een zodanig gebruik is gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie of specifieke kennis dat gedaagden 1, 2, 3 en 4 geacht moeten worden zich (en GTS) een concurrentievoorsprong te hebben verschaft zonder daarvoor de investeringen te hebben hoeven doen die Turbho zich heeft moeten getroosten. Uit hetgeen partijen over de werking van de branche hebben gesteld, leidt de kantonrechter af dat van enige exclusiviteit geen sprake is, noch in de relatie met producenten of dealers, noch in de verkoop van modellen, en dat kennis van het dealerbestand, van de buitenlandse scooterproducenten en van de aangeboden modellen vrij beschikbaar is. GTS c.s. hebben zich jegens Turbho niet aan onrechtmatige concurrentie schuldig gemaakt, omdat – gezien de aard van de scootermarkt en de positie van partijen daarin – geen sprake is van vertrouwelijke klant-, prijs-, producent- of productinformatie, waarvan het gebruik exclusief aan een van de marktpartijen toekomt.