Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 24 april 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3373

werkneemster/werkgever

Failliete werkgever. In tegenstelling tot de curator is de kantonrechter van oordeel dat de verzoeken tot vernietiging van ontslag(en) op staande voet en het geven van een verklaring voor recht met betrekking tot de rechtsgeldigheid van ontslag(en) op staande voet zelfstandige betekenis hebben (art. 28 Fw). Aanhouding.

Oordeel

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op maandag 5 februari 2018 (om 9.00 uur). Werkneemster is daarbij wel en werkgever is daarbij niet verschenen. Bij brief van 15 februari 2018 heeft werkneemster, in ieder geval wat betreft het door haar ingediende verzoek tot vernietiging van het aan haar op 25 september 2017 gegeven ontslag op staande voet, laten weten dat zij – naar de kantonrechter begrijpt – uitspraak wil. Bij brief van 16 februari 2018 heeft de curator van werkgever (mr. C. Bijl) laten weten dat wat betreft de tegen werkgever ingestelde verzoeken die de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben de procedure op grond van het bepaalde in artikel 29 Faillissementswet (Fw) wordt geschorst. Omdat de verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet en tot het geven van een verklaring voor recht geen ander belang hebben dan de toewijsbaarheid van de overige ingestelde verzoeken die voldoening uit de boedel ten doel hebben, hebben deze verzoeken voor het bepaalde in artikel 29 Fw geen zelfstandige betekenis en dient de procedure ook voor wat betreft die verzoeken van rechtswege te worden geschorst, aldus de curator. In tegenstelling tot de curator is de kantonrechter van oordeel dat de verzoeken tot vernietiging van het (de) ontslag(en) op staande voet en het geven van een verklaring voor recht met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het (de) ontslag(en) op staande voet zelfstandige betekenis hebben. Het gaat daarbij om meer dan (kort gezegd) betaling van loon en schadevergoeding, maar ook om herstel van eer en goede naam (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6650). Ook in relatie tot het UWV kan een beslissing hieromtrent van belang zijn. De procedure zal dienaangaande dan ook worden voortgezet (art. 28 Fw). Zoals reeds in het proces-verbaal is genoemd bleek het verweer van werkgever tegen het verzoek van werkneemster de kantonrechter pas na de mondelinge behandeling op 5 februari 2018. Omdat dit verweer niet met werkneemster is besproken, acht de kantonrechter een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk. Het verweer van werkgever zal dan aan de orde komen. Alle overige beslissingen worden aangehouden.