Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 19 december 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:5259
Stichting Antonius Zorggroep/werknemer
Feiten
Werknemer is van 31 december 2014 tot en met 31 december 2016 op basis van een fulltime dienstverband voor onbepaalde tijd als statutair bestuurder in dienst geweest van Antonius Zorggroep. De raad van commissarissen van Antonius Zorggroep (hierna de RvC) heeft medio mei 2016 aan werknemer weten dat de aangebroken nieuwe fase gepaard zal moeten gaan met een nieuw bestuur. Partijen hebben daarover gesproken met als (uiteindelijke) uitkomst dat zij op 20 mei 2016 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Daarin staat onder meer dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2016 zal eindigen en dat Antonius Zorggroep aan het eind van de dienstverband aan werknemer een vergoeding zal betalen van € 75.000 bruto. Ook zijn partijen overeengekomen dat werknemer tot het eind van het dienstverband de overeengekomen werkzaamheden voor Antonius Zorggroep zou blijven verrichten. Daarbij is wel de afspraak gemaakt dat werknemer zijn zeggenschap als statutair bestuurder diende te delen met een tijdelijk aan te trekken bestuurder, in het kader waarvan een portefeuilleverdeling is opgesteld. Medio oktober 2016 constateerde de RvC dat de samenwerking tussen werknemer en de inmiddels aangestelde tijdelijk bestuurder niet naar wens verliep. Omdat de RvC de ontstane situatie als onwenselijk beschouwde, heeft zij werknemer verzocht om zijn werkzaamheden te staken. Werknemer heeft zich daartegen verzet, waarna de RvC werknemer met ingang van 4 november 2016 op non-actief heeft gesteld. Partijen zijn het erover eens dat de periode van non-activiteit (4 november 2016 tot en met 31 december 2016) niet valt onder de werking van artikel 2.10 lid 3 WNT. Zij leggen dit evenwel aan de kantonrechter voor, omdat de accountant van Antonius Zorggroep het standpunt van partijen niet deelt.
Oordeel
Niet in geschil is dat op de functie die werknemer bij Antonius Zorggroep bekleedde de Wet normering topinkomens (WNT) van toepassing is. Onder meer uit Kamerstukken II 2013/14, 34017, 3, p. 4 (memorie van toelichting), volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat artikel 2.10 lid 3 WNT een antimisbruikbepaling is. De ratio van deze bepaling is dat voorkomen wordt dat partijen door middel van een overeenkomst in het kader van beëindiging van het dienstverband het WNT-maximum van € 75.000 proberen te omzeilen. Uit de stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat hiervan geen sprake is. Niet is gebleken dat partijen dit bij het sluiten van de overeenkomst op 20 mei 2016 reeds voor ogen hebben gehad, dat dit destijds was te voorzien en/of dat partijen nadien nadere afspraken hebben gemaakt over de non-activiteit. Het is dan ook evident dat werknemer eenzijdig door zijn werkgever op non-actief gesteld is en dat hier geen sprake is van een poging van partijen om het WNT-maximum te omzeilen. Naar het oordeel van de kantonrechter telt het loon dat tijdens de onvrijwillige op non-actiefstelling is doorbetaald dan ook niet mee voor het WNT-maximum.