Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 4 mei 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:1810
de ondernemingsraad van Rhenus Air B.V./Rhenus Air B.V.
Feiten
Werkgeefster verzorgt vrachtvervoer op Schiphol. Werkgeefster start in het voorjaar van 2016 een traject om een pensioenuitvoerder te selecteren voor de periode vanaf 1 januari 2017 omdat de overeenkomst met Zwitserleven op 31 december 2016 eindigt. In dat kader heeft zij aan de ondernemingsraad bericht dat een tenderprocedure is gestart, dat in juli of augustus gesprekken met drie of vier uitvoerders zullen plaatsvinden en dat de ondernemingsraad in de fase daarna nader zal worden geïnformeerd en dat zal worden bezien hoe de ondernemingsraad zal participeren in het vervolgtraject. Werkgeefster wenst vervolgens de overeenkomst met Zwitserleven voort te zetten. In december lopen de gemoederen hoog op. De ondernemingsraad stelt dat voortzetting slechts mogelijk is onder door hem gestelde voorwaarden. Omdat het einde van het jaar nadert – en werkgeefster verplicht is een pensioenuitvoerder te hebben – besluit werkgeefster tot verlenging bij Zwitserleven. De ondernemingsraad verzoekt de OK werkgeefster te veroordelen tot (gedeeltelijke) intrekking van de verlenging, omdat zij bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het genomen besluit had kunnen komen.
Oordeel
Het besluit van werkgeefster tot verlenging van de uitvoeringsovereenkomst valt buiten het bereik van de in artikel 25 lid 1 WOR opgesomde categorieën. Een adviesaanvraag op grond van artikel 25 WOR ligt ook niet voor hand, nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op aspecten die de onderneming aangaan in de zin van bedoeld artikel, maar terug te voeren is op een arbeidsvoorwaarde (waarvoor in zijn algemeenheid eerder artikel 27 WOR dan wel collectieve arbeidsovereenkomsten gelden). Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting valt voorts niet af te leiden dat aan de ondernemingsraad een bovenwettelijk adviesrecht is toegekend van een zodanige inhoud en strekking dat daarmee het bepaalde in artikel 26 WOR op dit besluit van overeenkomstige toepassing is. Hooguit kan worden gezegd dat werkgeefster de ondernemingsraad heeft betrokken bij het traject om te komen tot een besluit met betrekking tot de wijziging van de uitvoeringsovereenkomst met Zwitserleven op de voet van artikel 7 van de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen. Dit artikel bepaalt, voor zover relevant, dat de werkgever de ondernemingsraad, in aanvulling op artikel 27 WOR, in staat stelt te adviseren over de (verlenging van de) uitvoeringsovereenkomst. Lid 1 sub a van dit laatste artikel bepaalt dat de ondernemer instemming behoeft van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering. Voorgaande overweging leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet valt onder de reikwijdte van artikel 26 WOR. Alleen al op deze grond is de ondernemingsraad niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Bovendien is het verzoekschrift te laat ter griffie van de Ondernemingskamer binnengekomen, gelet op de termijn van een maand van artikel 26 lid 2 WOR.