Naar boven ↑

Rechtspraak

MBA Micheak Bailey Associates B.V./werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 oktober 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3871

MBA Micheak Bailey Associates B.V./werknemer

Concurrentiebeding in de detacheringsbranche. Hof bekrachtigt vonnis kantonrechter tot gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding.

Feiten

Werknemer is op 18 april 2016 bij MBA in dienst getreden voor onbepaalde tijd in de functie van Business Developer. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding, een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Werknemer was voor MBA met name werkzaam op het terrein van de detachering binnen de financiële branche, gericht op IT-profielen. Bij brief van 15 april 2018 heeft werknemer aan MBA verzocht te worden ontheven van zijn concurrentiebeding in verband met een aanbod voor een werkkring bij Finaxe. In reactie hierop heeft MBA bij brief van 20 april 2018 aan werknemer laten weten dat zij niet instemt met de ontheffing van het concurrentiebeding. In eerste aanleg heeft werknemer onder meer geheel dan wel gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding gevorderd. De kantonrechter heeft het concurrentiebeding tussen partijen geschorst 'met uitzondering voor zover het concurrentiebeding betrekking heeft op de financiële branche, gericht op IT-profielen'. MBA komt hiertegen in hoger beroep.

Oordeel

Tussen partijen is niet langer in geschil dat werknemer kort na de uitspraak van het vonnis in dienst is getreden bij Finaxe. Werknemer heeft niet weersproken dat hij geen (relevante) kennis van of ervaring met de detacheringsbranche had toen hij in april 2016 in dienst trad bij MBA. Het is aannemelijk dat werknemer bij MBA ‘het kunstje’ heeft geleerd om een goede detacheerder/salesman te zijn. Naar aanleiding van de vraag ter zitting in hoger beroep waarin nu ‘het kunstje’ van MBA schuilt, is het betoog van MBA blijven steken in algemeenheden zoals: het steeds geven van reviews, veel mensen kennen, de manier waarop de informatie in het CRM-systeem wordt bijgehouden, de manier waarop gewerkt wordt met recruiters. Het hof acht deze toelichting te algemeen om te kunnen spreken van specifieke informatie die werknemer een voorsprong zou geven in verhouding tot andere concurrenten. Wat de meer inhoudelijke bedrijfskennis van werknemer betreft, is in hoger beroep niet meer in discussie dat hij daarover in elk geval beschikte op het terrein waarop hij bij MBA met name werkzaam was, te weten de financiële branche gericht op IT-profielen. Waar het bij de beoordeling in het bijzonder op aankomt, is of werknemer ook daarbuiten beschikte over specifieke informatie op grond van hetgeen hij tijdens zijn werkzaamheden ‘hoorde, meekreeg en besprak’. Het hof heeft partijen hierover vragen gesteld en is op grond van de wederzijdse stellingen van partijen in de stukken en ter zitting tot de conclusie gekomen dat ook op dit punt het oordeel van de kantonrechter moet worden gevolgd. Voor zover het belang van MBA gelegen is in het behoud van haar relaties, is het hof van oordeel dat dit belang voldoende wordt beschermd door het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst. Het is aannemelijk dat werknemer bij Finaxe een beter perspectief op doorgroei heeft dan bij MBA het geval was. MBA heeft weliswaar gesteld dat werknemer ook bij haar zijn positie had kunnen verbeteren, maar zij heeft nagelaten dat te concretiseren. Het is waar dat Finaxe een concurrent is van MBA en dat de concurrentie op de desbetreffende markt, zoals beide partijen hebben beaamd, ‘moordend’ is. Niettemin moet op grond van het voorgaande worden aangenomen dat de belangen van MBA niet in relevante mate worden geschaad als gevolg van de indiensttreding van werknemer bij Finaxe. Afweging van de hiervoor besproken belangen van partijen voert ook het hof tot het voorlopige oordeel dat werknemer onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding voor zover dat beding verder strekt dan is weergegeven in het dictum van het vonnis onder I (de financiële branche, gericht op IT-profielen). Het hof acht voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure in die zin zal worden geoordeeld. Het hof onderschrijft daarom de beslissing van de kantonrechter.