Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Tentoo
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 26 april 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:4071

werknemer/Tentoo

Werkgever heeft aanvullende stukken in het geding gebracht. Het hof stelt de uitgangspunten vast voor een nadere loonberekening. Voor zover partijen niet tot een vergelijk komen, kunnen zij zich binnen zes weken wederom tot het hof wenden, voor nadere beslissing.

Feiten

Tantoo heeft gegevens en stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van haar standpunt met betrekking tot de inschaling van werknemer. Werknemer heeft gewerkt in de functie van archiefmedewerker en programmamaker. Het hof dient nog de vraag te beantwoorden in welke functieschaal en op welk niveau in de toepasselijke schaal werknemer bij beide functies had moeten worden ingedeeld.

Oordeel

Ten aanzien van de werkzaamheden als archiefmedewerker stelt het hof vast dat de Omroep cao die gold in 2011 een standaard-cao betrof, waar derhalve niet van mocht worden afgeweken. Ook op grond van de nader overgelegde stukken is niet aannemelijk dat Omrop Fyslân haar medewerkers systematisch boven de Omroep cao heeft betaald. De cao kende geen tredesysteem, maar een jaarlijkse verhoging op basis van de beoordeling. Vaststaat dat dit voor werknemer niet heeft plaatsgevonden. Het hof zal het toepasselijke maandloon van werknemer vaststellen overeenkomstig de methodiek die is toegepast door bureau Van Els en Oosterbaan. De grief slaagt op deze grond dan ook ten dele. Ten aanzien van de werkzaamheden als programmamaker staat vast dat werknemer in 2011 in schaal G had moeten worden ingedeeld. De vraag is dan nog op welk niveau binnen de schaal werknemer had moeten worden ingeschaald. Het hof sluit hierbij aan bij het loon dat de heer C in 2011 ontving. Deze medewerker verrichtte dezelfde werkzaamheden en is in dezelfde periode als werknemer begonnen. Ook hier slaagt de grief ten dele. Het hof gaat ervan uit dat partijen op grond van de vaststellingen van het hof in staat zijn een nadere loonberekening te maken. Als dit niet opgaat, kunnen partijen binnen zes weken aangegeven op welke punten nadere beslissing van het hof noodzakelijk is.