Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is sinds 13 augustus 2002 in dienst bij werkgeefster. Sinds 2008 is werkneemster werkzaam als filiaalleidster. Over 2013 heeft werkneemster een onvoldoende beoordeling gekregen. Ook over het jaar 2015 heeft werkneemster de taken niet op gewenst niveau uitgevoerd. In het beoordelingsformulier van 6 maart 2017 over het jaar 2016 heeft werkneemster wel op niveau gefunctioneerd. Vervolgens is werkneemster in oktober 2017 overgeplaatst naar een ander filiaal van werkgeefster. Werkneemster heeft over het jaar 2017 wederom onvoldoende gefunctioneerd waarbij in het beoordelingsformulier melding is gemaakt van een gebrek aan leiderschap en motivatie bij werkneemster. Omdat er al enige jaren sprake is van disfunctioneren van werkneemster en het functioneren, ondanks de ingezette verbetertrajecten, nog steeds niet op niveau is, verzoekt werkgeefster de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de d-grond. Werkneemster heeft door haar wijze van leidinggeven geen draagvlaak meer bij haar team, de klanten vinden haar onvriendelijk en er is structureel te veel ‘lekkage’ (het verdwijnen van producten als gevolg van winkeldiefstal) in haar filiaal, hetgeen slechte resultaten oplevert. Werkneemster betwist dat er sprake is van deze aan haar gemaakte verwijten en benadrukt dat het filiaal waar zij laatstelijk werkzaam was niet representatief is, nu dit filiaal veel groter is en er in dit filiaal al voor haar komst vele problemen speelden op zowel organisatorisch als financieel vlak, maar ook bij het personeel.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat niet is bestreden dat het filiaal voorafgaand aan de komst van werkneemster grote financiële problemen kende. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat een filiaalleider bestaande problemen die tot tekorten op de balans hebben geleid, niet op zo’n kort termijn als werkgeefster kennelijk verwacht, kan oplossen. Bij de kantonrechter komt het beeld naar voren dat, net op het moment dat werkneemster op het gewenste niveau van filiaalleidster functioneert in het vorige filiaal, zij wordt overgeplaatst naar het grotere en moeizamer lopende filiaal. Indien er na jaren van ondergemiddelde prestaties (eindelijk) een duidelijke verbetering in functioneren zichtbaar is, is het niet goed voorstelbaar om iemand over te plaatsen naar een filiaal dat diverse problemen op verschillende vlakken kent. Een dergelijke aanpak past niet bij een werkgeefster die een in haar ogen onvoldoende functionerende werknemer dient te ondersteunen bij het herstel van het functioneren. Vast staat dat het werkneemster niet is gelukt om de problemen die er in het filiaal waren op te lossen. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet het gevolg van enig disfunctioneren van werkneemster. Niet gesteld noch gebleken is dat de problemen in het filiaal zijn ontstaan na de komst van werkneemster. Dat er sprake zou zijn van een structureel disfunctioneren van werkneemster, is evenmin gebleken. Blijkens de overgelegde stukken lijkt er van enig disfunctioneren in de periode van 2008 tot 2013 geen sprake te zijn geweest. Vanaf 2013 wordt haar functioneren ondergemiddeld beoordeeld, maar dit kan, volgens werkneemster, verklaard worden door de problemen in haar privésituatie waar zij op dat moment mee te maken had. In 2016 lijkt het functioneren dan ook weer op het gewenste niveau te zitten, zodat van structureel disfunctioneren geen sprake is. Daarnaast heeft werkgeefster onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat ook ingeval wel sprake was van disfunctioneren, herplaatsing van werkneemster binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De conclusie is dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 3 sub d BW. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt dan ook afgewezen.