Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 11 februari 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:1284
werknemer/werkgever
Feiten
Werkneemster is in 1995 in dienst getreden bij de (rechtsvoorganger van) A10HUB, een onderneming waarvan werkgever directeur en enig aandeelhouder was. Werkneemster heeft vanaf 1 januari 2016 geen werkzaamheden meer verricht voor dit bedrijf, maar is wel doorbetaald tot 1 april 2018. In een brief van 31 maart 2018 heeft werkgever aan werkneemster bericht dat A10HUB per die datum is opgeheven. A10HUB is op 19 maart 2018 ontbonden. Werkneemster heeft A10HUB en werkgever verzocht tot doorbetaling van haar loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven. Werkneemster heeft de kantonrechter verzocht voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 31 maart 2018 is vernietigd en A10HUB en werkgever hoofdelijk te veroordelen tot doorbetaling van het reguliere salaris vanaf 1 april 2018. De kantonrechter heeft bij (mondelinge) beschikking van 16 juli 2018 werkneemster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken jegens A10HUB, omdat A10HUB na haar ontbinding niet meer bestaat. In de verzoeken gericht tegen werkgever heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard, omdat werkgever niet als werkgever van werkneemster kan worden aangemerkt. Werkneemster keert zich tegen de onbevoegdverklaring van de kantonrechter en heeft, aan de in eerste aanleg aangevoerde grondslag van onrechtmatige daad, vereenzelviging en overgang van onderneming als grondslagen toegevoegd.
Oordeel
Vereenzelviging en overgang van onderneming
Van vereenzelviging van (rechts)personen kan volgens vaste jurisprudentie sprake zijn als door een (rechts)persoon die de volledige of overheersende zeggenschap heeft over een andere rechtspersoon misbruik wordt gemaakt van het verschil in identiteit tussen die (rechts)personen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Werkneemster heeft niets aangevoerd over enig misbruik dat werkgever zou hebben gemaakt van het verschil in identiteit tussen hemzelf en A10HUB. Het hof beschouwt vereenzelviging daarmee voorshands als een geconstrueerde grondslag die in hoger beroep louter aangevoerd lijkt te zijn om te trachten (alsnog) een bevoegdheid van de kantonrechter te creëren. Die voorshands ondeugdelijke grondslag maakt echter nog niet dat sprake is van een zaak die de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en A01HUB betreft en leidt dus ook niet tot bevoegdheid van de kantonrechter. Voorts voert werkneemster voorwaardelijk aan dat als de arbeidsovereenkomst niet op de andere vennootschappen van werkgever is overgegaan, het onrechtmatig handelen van werkgever erin heeft geresulteerd dat de arbeidsverhouding is overgegaan op werkgever persoonlijk. Het aan werkgever verweten onrechtmatig handelen heeft echter niets van doen met voortzetting door hemzelf van activiteiten van A10HUB. De omstandigheid dat door de ontbinding van A10HUB de arbeidsovereenkomst die werkneemster had met A10HUB in het luchtledige is komen te hangen, maakt nog niet dat dan werkgever partij is geworden bij die overeenkomst. Ook deze grondslag (overgang van onderneming) leidt derhalve evenmin tot bevoegdheid van de kantonrechter om over deze zaak te beslissen.
Onrechtmatige daad
Werkneemster voert aan dat werkgever jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door A10HUB te ontbinden na een zogenoemde turboliquidatie, wetende dat er nog een arbeidsovereenkomst met werkneemster bestond en dat daardoor A10HUB haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst jegens haar niet zou kunnen nakomen. Het hof stelt voorop dat werkneemster haar vorderingen uit onrechtmatige daad aanhangig heeft gemaakt in een verzoekschriftprocedure, gelijktijdig met verzoeken tegen A10HUB, die verband hielden met de beëindiging (al dan niet) van de arbeidsverhouding tussen A10HUB en werkneemster. Omdat werkneemster in haar verzoeken jegens A10HUB niet-ontvankelijk is verklaard en werkneemster zich daarbij neergelegd heeft, kan niet worden aangeknoopt bij de verzoeken die werkneemster jegens A10HUB heeft ingediend. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat die vorderingen op zichzelf niet leiden tot bevoegdheid van de kantonrechter. De vorderingen van werkneemster jegens werkgever vinden hun oorsprong weliswaar in de arbeidsovereenkomst, maar betreffen die arbeidsovereenkomst nog niet. Bij die overeenkomst was werkgever zelf geen partij. Bovendien rusten de vorderingen op bestuurdersaansprakelijkheid. De slotsom is dat de kantonrechter zich derhalve terecht onbevoegd heeft verklaard. De kantonrechter had echter de zaak op de voet van artikel 71 Rv dienen te verwijzen naar de handelskamer. Door het achterwege laten van die verwijzing heeft (nog) geen inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg plaatsgevonden. Het hof verwijst de zaak alsnog naar de handelskamer van de Rechtbank Noord-Nederland voor verdere behandeling.