Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 februari 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:635

werkneemster/werkgever

Loonvordering in kort geding afgewezen. E-mail van werkgever moet worden aangemerkt als rechtsgeldige opzegging binnen de proeftijd. Overige klachten stuiten af, omdat werknemer niet binnen twee maanden na de opzegging een verzoek tot vernietiging heeft ingediend.

Feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad waaruit een zoon is geboren. De relatie is reeds voor de geboorte van het kind beëindigd. Werkneemster is daarna teruggegaan naar haar geboorteland. Partijen hebben op 9 maart 2018 een ‘Intentieverklaring Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’ getekend, die inging per 1 mei 2018 voor de duur van twaalf maanden. In de arbeidsovereenkomst is onder meer een proeftijdbeding van één maand afgesproken. Bij e-mail van 28 april 2018 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd. Werkneemster heeft bij de kantonrechter in eerste aanleg gevorderd werkgever te veroordelen tot het betalen van loon over de maanden mei 2018 tot en met september 2018 en daarna, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, en werkneemster toe te laten tot haar werk. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster afgewezen. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep.

Oordeel

Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat de e-mail van werkgever van 28 april 2018 moet worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. De daarin gebezigde bewoordingen 'to cancel your contract of employment' wijzen daar onmiskenbaar op. Hetzelfde geldt voor de in de e-mail genoemde opzeggingsgrond dat werkgever financieel niet in staat was werkneemster loon te betalen. Werkneemster heeft die e-mail naar het voorlopige oordeel van het hof dan ook redelijkerwijze als een opzegging moeten begrijpen. Het hof moet op grond van de reactie van werkneemster bij e-mail van 29 april 2018, in het bijzonder het gebruik daarin van het woord 'notice', aannemen dat werkneemster de e-mail ook in die zin hééft begrepen. Ook volgt het hof werkneemster niet in haar betoog dat het werkgever in de e-mail van 28 april 2018 alleen zou gaan om een latere ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Dat werkgever in zijn e-mail heeft gesproken van 'a possible later start date in a new agreement' brengt in het voorgaande geen verandering. Kennelijk heeft werkgever daarmee de deur willen openhouden voor het op enig moment alsnog aangaan van een arbeidsovereenkomst. De klachten betreffen alle de rechtsgeldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever. Werkneemster heeft geen verzoek zoals bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW ingediend tot vernietiging van de opzegging. Uit artikel 7:686a lid 4 sub a BW volgt dat een daartoe strekkend verzoek, op straffe van verval van het recht hiertoe, had moeten worden ingediend binnen twee maanden na de datum van het ontslag. Dit heeft werkneemster nagelaten. Nu niet tijdig een verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag is ingediend, kan dat ontslag rechtens niet meer worden aangetast en moet ervan worden uitgegaan dat het geldig is gegeven. Dit brengt mee dat het ontslag de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft doen eindigen. De klachten van werkneemster stuiten hierop af. Dat in een bodemprocedure over de geldigheid van het ontslag anders zal worden geoordeeld, is niet aannemelijk, reeds omdat de termijn voor het indienen van een verzoek tot vernietiging van het ontslag – dat in een bodemprocedure had moeten worden gedaan – is verstreken. Namens werkneemster is ter zitting in hoger beroep nog naar voren gebracht dat van haar niet kon worden gevergd tijdig een verzoek tot vernietiging van het ontslag in te dienen omdat zij in het buitenland verbleef en werkgever niet haar reis naar Nederland betaalde. Deze omstandigheden kunnen naar het voorlopige oordeel van het hof niet tot een andere uitkomst leiden, omdat niet valt in te zien dat de aanwezigheid van werkneemster in Nederland redelijkerwijs noodzakelijk was voor de indiening van zodanig verzoek. Er is geen grond aanwezig voor het treffen van voorzieningen zoals door werkneemster gevorderd. Haar vorderingen zijn dus ook in hoger beroep niet toewijsbaar.