Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Warmande
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 maart 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:969

werkneemster/Stichting Warmande

Loonvordering en overige vorderingen van werkneemster worden toegewezen. Werkneemster is door overgang van onderneming van rechtswege in dienst getreden bij Warmande. Warmande is gehouden werkneemster dienovereenkomstig te belonen.

Feiten

Werkneemster is op 6 december 1988 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Albron. Op 30 september 2006 heeft Albron met de rechtsvoorganger van Stichting Warmande (hierna: Warmande) een dienstverleningsovereenkomst (DVO) gesloten met betrekking tot de exploitatie van een winkel en restaurant, het Paviljoen genaamd. Sedert 1 december 2006 was werkneemster voor Albron als locatiemanager werkzaam in het Paviljoen. Bij brief van 13 december 2012 deelde Albron aan werkneemster mee dat Warmande de cateringactiviteiten in eigen beheer neemt, dat Albron om die reden de arbeidsovereenkomst met werkneemster beëindigt met ingang van 31 december 2012, dat sprake is van overgang van onderneming en dat werkneemster met behoud van arbeidsvoorwaarden van rechtswege in dienst treedt bij Warmande. Warmande heeft werkneemster de functie van medewerker Paviljoen aangeboden. Daarnaast is, in verband met de inkomensteruggang, een afbouwregeling aangeboden. Werkneemster heeft hier niet mee ingestemd. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van een overgang van onderneming. Bij tussenarrest heeft het hof kort gezegd overwogen dat sprake is van overgang van onderneming en dat de rechten en verplichtingen van de vorige werkgever van werkneemster met ingang van 1 januari 2013 zijn overgegaan op Warmande. Het hof heeft eerder overwogen dat met ingang van 1 april 2013 de CAO VVT van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en Warmande. Het hof dient nog te beslissen op de loonvordering van werkneemster en enkele daaruit voortvloeiende vorderingen.

Oordeel

Op grond van de cao VVT heeft werkneemster recht op de indexeringspercentages. Daarnaast heeft werkneemster recht op een maandelijkse locatietoeslag en een lunchvergoeding. Warmande heeft nog betoogd dat slechts 36/40 deel van dit bedrag toewijsbaar is. Het hof volgt Warmande daarin niet. Het hof ziet geen reden om terug te komen op de bindende eindbeslissing met betrekking tot deze toeslagen. Warmande heeft dit verweer niet eerder gevoerd, terwijl zij daartoe wel gelegenheid heeft gehad. Overigens blijkt niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt over vermindering van deze toeslagen naar rato van de werktijd. Zonder nadere toelichting valt evenmin in te zien dat de omstandigheid dat werkneemster 36 uur in plaats van 40 uur is gaan werken moet leiden tot vermindering van de locatietoeslag of lunchvergoeding. Gelet op het ruime loonbegrip vallen ook de brutolocatietoeslag en de brutolunchvergoeding onder het loonbegrip waarover de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 W dient te worden betaald. De nettoreiskostenvergoeding is gekoppeld aan een daadwerkelijk gewerkte dag en is derhalve geen vergoeding voor in loondienst verrichte werkzaamheden. Warmande voert aan dat inderdaad een ingebrekestelling nodig is voor het doen intreden van verzuim ten aanzien van de verplichting om de wettelijke verhoging te betalen. Voor de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging is, gelet op de fatale wettelijke termijn, geen aanzegging of ingebrekestelling nodig. Met inachtneming van de door het hof vastgestelde uitgangspunten worden de vorderingen van werkneemster toegewezen.