Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 maart 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:1047
MBA Michael Bailey Associates B.V/werknemer
Feiten
Werknemer is op 7 maart 2016 in dienst getreden bij MBA Michael Bailey Associates B.V. (hierna: ‘MBA’), laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van business developer. De arbeidsovereenkomst bevat een concurrentiebeding. Op 8 augustus 2018 heeft werknemer het spreekuur bezocht van de bedrijfsarts, die daarover op 9 augustus 2018 schriftelijk verslag heeft uitgebracht, waarin is opgenomen dat werknemer gezondheidsklachten ervaart die werkgerelateerd zijn. Op 15 augustus 2018 heeft werknemer ontslag genomen bij MBA. Hij is met ingang van 1 oktober 2018 in dienst getreden bij Next Ventures B.V. (hierna: Next Ventures) als senior consultant ‘Infrastructure & Cloud’. In eerste aanleg heeft MBA in kort geding onder meer gevorderd werknemer te veroordelen om zijn werkzaamheden voor Next Ventures te staken en hem te verbieden direct of indirect (verdere) werkzaamheden voor Next Ventures te verrichten, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft werknemer verboden om direct of indirect (verdere) werkzaamheden voor Next Ventures te verrichten voor zover het werkzaamheden betreft ten behoeve van DMC, IBM Nederland GBS, LGI en LGI-2, op straffe van verbeurte van dwangsommen, en het concurrentiebeding voor het overige geschorst. Tegen dit oordeel keren partijen zich in hoger beroep.
Oordeel
MBA heeft gelet op de aard van haar vorderingen nog immer een spoedeisend belang. Het concurrentiebeding wordt voorshands rechtsgeldig geacht. Aan werknemer moet worden toegegeven dat het beding ruim geformuleerd is maar het is wel duidelijk welke werkzaamheden eronder vallen. Ook overigens is aannemelijk dat aan de geldigheidsvereisten voor een dergelijk beding is voldaan. Volgens werknemer heeft MBA willens en wetens een bedrijfscultuur in stand gelaten die heeft geleid tot verergering van zijn gezondheidsklachten, waarbij hij met name doelt op regelmatig, gezamenlijk alcoholgebruik door collega’s na werktijd. Werknemer is daaraan mee gaan doen en verwijt MBA dat zij daartegen niet is opgetreden. Werknemer heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat MBA haar zorgplicht op het gebied van de arbeidsomstandigheden in haar onderneming heeft geschonden en dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van MBA. Voldoende aannemelijk is geworden dat werknemer het concurrentiebeding schendt door zijn werkzaamheden in dienst van Next Ventures. MBA en Next Ventures zijn deels actief in dezelfde branche en werknemer houdt zich bij zijn nieuwe werkgever nog altijd bezig met recruitment. Wat betreft de belangafweging geldt dat aan beide zijden reële en zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Nu werknemer kennis heeft van de door MBA gehanteerde prijzen en marges en in zoverre bekend is met specifieke en niet openbare (financiële) bedrijfsgegevens van MBA, heeft MBA er groot belang bij dat Next Ventures van die bedrijfsgegevens geen kennisneemt noch anderszins van die kennis profijt kan hebben. Deze kennis kan MBA immers grote schade berokkenen. Verder acht het hof, óók indien wordt aangenomen (bij wege van veronderstelling) dat werknemer qua gezondheid beter af is met een dienstverband bij Next Ventures en dat hij de door hem aangevoerde vooruitgang in doorgroeimogelijkheden en inkomen inderdaad zal maken, de belangen van MBA bij handhaving van het concurrentiebeding dusdanig zwaarwegend dat de belangen van werknemer daarvoor moeten wijken. Dat het concurrentiebeding ruim geformuleerd is, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Het hof acht geen grond aanwezig voor toekenning van een billijke vergoeding aan werknemer, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij door het concurrentiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van MBA werkzaam te zijn.