Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 30 april 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:1622
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is op 12 januari 1986 in dienst getreden bij X Autobedrijf B.V. (hierna: ‘werkgeefster’), laatstelijk als chef werkplaats tegen een brutosalaris van € 3.566,64 per maand exclusief emolumenten. Bij beschikking van 20 mei 2014 heeft het UWV aan werkgeefster toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met werknemer te beëindigen. Bij brief van 26 mei 2014 heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd tegen 1 september 2014. In eerste aanleg heeft werknemer de kantonrechter verzocht voor recht te verklaren dat het door werkgeefster aan hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is en werkgeefster onder meer te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 101.839,72 als schadevergoeding. Bij vonnis van 11 mei 2017 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat het door werkgeefster aan werknemer verleende ontslag kennelijk onredelijk is, maar heeft de kantonrechter de vordering tot schadevergoeding afgewezen. Wel heeft de kantonrechter de vordering ter zake van achterstallig salaris toegewezen, in die zin dat hij werkgeefster heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.915,44 bruto alsmede een bedrag van € 180,74 netto, te vermeerderen met wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 18 september 2014 tot aan de dag der voldoening. Ook is werkgeefster in de proceskosten en de nakosten veroordeeld. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen. Tegen dit oordeel keren partijen zich in hoger beroep.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Werknemer beroept zich met recht op het gevolgencriterium. De door de kantonrechter gegeven verklaring voor recht zal daarom worden bekrachtigd. Dit oordeel berust in het bijzonder op de lange duur van het dienstverband van werknemer, de goede wijze van functioneren van werknemer en de omstandigheid dat de opzeggingsgrond in de risicosfeer van werkgeefster ligt. Het belangrijkste verweer van werkgeefster is het zogenoemde habe nichts-verweer. Zij stelt dat gelet op haar slechte financiële positie bij de bedrijfsbeëindiging het betalen van een vergoeding aan werknemer helaas niet mogelijk was. Het hof verwerpt dit verweer. Duidelijk is dat de financiële positie van werkgeefster in 2014 slecht was. Echter, ook in 2009 was de marktsituatie voor werkgeefster al verslechterd. Toen de crisis vervolgens langer aanhield, had zij de mogelijkheid onder ogen dienen te zien dat zij op enig moment haar bedrijf zou moeten beëindigen. Goed werkgeverschap bracht mee dat zij dan ook rekening behoorde te houden met de voorzienbare (financiële) belangen van haar werknemer. Niet gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Werknemer had ten tijde van het ontslag een slechte positie op de arbeidsmarkt, in zoverre dat het moeilijk voor hem zou worden om elders chef werkplaats te worden met bijbehorend salaris. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat werknemer destijds arbeidsongeschikt was. Tegelijkertijd kon worden verwacht dat hij wel weer aan het werk zou kunnen gaan als monteur (tegen een lager salaris), welke verwachting bewaarheid is geworden. In de tussentijd was hij aangewezen op een ZW-uitkering. Werknemer heeft derhalve inkomens- en pensioenschade geleden als gevolg van het ontslag. Voorts heeft werkgeefster onvoldoende herplaatsingsinspanningen verricht. De gevolgen van de opzegging zijn voor werknemer te ernstig in vergelijking met het belang van werkgeefster bij de opzegging. Er zijn dan ook bijzondere omstandigheden die toekenning van een schadevergoeding rechtvaardigen. Gelet op de beperkte financiële mogelijkheden van werkgeefster acht het hof een vergoeding van € 10.000 op zijn plaats. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de schadevergoeding vernietigen en werkgeefster alsnog veroordelen tot betaling van genoemd bedrag. Voor het overige wordt het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.