Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 29 maart 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:818

werkneemster/werkgeefster

Kantonrechter heeft verzoek tot vernietiging opzegging wegens bedrijfseconomische omstandigheden na toestemming UWV ten onrechte afgewezen, nu werkgeefster de slechte bedrijfseconomische redenen onvoldoende heeft onderbouwd. Toekenning billijke vergoeding.

Feiten

Van 25 maart 2015 tot en met 19 april 2017 is de heer X bij werkgeefster in dienst geweest als bedrijfsleider. Werkneemster is via X bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van Japan Country Manager, laatstelijk tegen een salaris van € 3.500 bruto per maand. Op dinsdag 1 augustus 2017 heeft werkneemster zich per e-mail ziek gemeld. Bij beslissing van 23 oktober 2017 heeft het UWV werkgeefster toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. Met gebruikmaking van deze toestemming heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst vervolgens bij brief van 25 oktober 2017 opgezegd met ingang van 1 december 2017. Onder verwijzing naar (de gang van zaken rond) een door X en werkneemster opgestelde werkgeversverklaring heeft werkgeefster werkneemster bij brief van 23 maart 2018 op staande voet ontslagen 'voor zover de door het UWV verleende ontslagvergunning nietig mocht blijken'. Werkneemster heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigt althans de arbeidsovereenkomst herstelt dan wel aan haar een billijke vergoeding toekent. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep.

Oordeel

De kantonrechter is volgens werkneemster uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling. Dit betoog gaat niet op. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkneemster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij (ook) op 4 augustus 2017 ziek was en op deze grond het beroep op het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW verworpen. Werkneemster heeft in hoger beroep geen nieuwe of aanvullende feiten en omstandigheden op dit punt naar voren gebracht en bij die stand van zaken kan het hof zich volledig verenigen met het bestreden oordeel van de kantonrechter. In dit geding wordt zelfstandig getoetst of de door werkgeefster ingeroepen opzeggingsgrond van artikel 7:669 lid 3 sub a BW zich inderdaad voordoet. Werkgeefster heeft de bedrijfseconomische omstandigheden die haar tot de gewraakte reorganisatie zouden hebben genoopt, maar mondjesmaat met financiële stukken gestaafd. Mede gelet op het door werkneemster gevoerde verweer had werkgeefster de door haar aangevoerde onderliggende oorzaak en de financiële gevolgen daarvan nader inzichtelijk en controleerbaar dienen te maken door het overleggen van de volledige jaarstukken. Bij dit alles komt nog dat werkgeefster ook geen enkele toelichting heeft gegeven op de oorzaken van de 'teruglopende business' en verder ook geheel niet ingaat op de vraag of, en zo ja in welke mate er verbeteringen zijn te verwachten. Werkgeefster heeft de door haar aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst zonder redelijke grond heeft opgezegd. Herstel van de arbeidsovereenkomst ligt niet in de rede, nu werkneemster in rechte niet tijdig de vernietiging heeft ingeroepen van het ontslag op staande voet. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat er vanaf 23 maart 2018 tussen partijen hoe dan ook geen arbeidsrelatie meer is. Gelet hierop en op de aard en ernst van de verwijten die partijen elkaar inmiddels over en weer maken, is herstel van de arbeidsovereenkomst niet (meer) aan de orde. Het hof acht toekenning van een billijke vergoeding op haar plaats nu werkgeefster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd op een grond die zij (uiteindelijk) niet aannemelijk heeft kunnen maken. Werkneemster heeft omtrent de verdere nadelige gevolgen van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst voor haar verder niets gesteld, terwijl ook niet kan worden gezegd dat werkgeefster een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof acht een billijke vergoeding ter grootte van € 15.000 bruto redelijk.