Rechtspraak
werknemer/werkgever
Feiten
Werkgever richt zich op dienstverlening aan ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf en non-profitinstellingen en bestaat uit vijftien adviseurs. Werknemer is op 1 juni 2011 voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst getreden als belastingadviseur. In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst wordt werknemer gewezen op het kwaliteitsboek en de daarbij horende integriteitscode. Bij brief van 16 januari 2018 heeft werkgever werknemer medegedeeld kennis te hebben genomen van het feit dat werknemer een lening in privé heeft verstrekt aan een cliënt en dat dit handelen van werknemer dermate ernstig is dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd. Werkgever heeft in eerste aanleg de kantonrechter primair verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verwijtbaar handelen (e-grond) en subsidiair te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond). De kantonrechter heeft geoordeeld dat het handelen van werknemer niet zodanig verwijtbaar is dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, maar heeft de arbeidsovereenkomst wel ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) onder toekenning van een transitievergoeding aan werknemer. Beide partijen zijn tegen de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gegaan. Het incidenteel appel van werkgever richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een voldragen e-grond. Werkgever verzoekt het hof te oordelen dat de grondslag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wel is gelegen in omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen of nalaten). Voor zover deze vordering wordt toegewezen, verzoekt werkgever om veroordeling van werknemer tot terugbetaling van de transitievergoeding.
Oordeel
Aan de stelling dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van werknemer heeft werkgever ten grondslag gelegd dat werknemer een lening van € 200.000 heeft verstrekt aan een klant van werkgever. Tussen partijen staat vast dat deze lening inderdaad in privé door werknemer is verstrekt aan bedrijf X, een vaste klant van werkgever. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat werknemer gebonden is aan het kwaliteitshandboek. In het kwaliteitshandboek staat dat mogelijke bedreigingen van de fundamentele beginselen die door een accountant en diens medewerkers moeten worden nageleefd, ter kennis moeten worden gebracht aan de accountant. Het hof stelt voorop, in het licht van de hiervoor genoemde gedragsregels en gelet op de aard van de door werknemer voor bedrijf X als vaste klant van werkgever verrichte werkzaamheden, dat het zonder toestemming van werkgever verstrekken van een lening van € 200.000 door werknemer aan een klant van werkgever niet verenigbaar is met de functie van een belastingadviseur werkzaam op een accountantskantoor. Het hof is van oordeel dat het in elk geval op de weg van werknemer lag om werkgever volledig te informeren over zijn voornemen om een lening in de orde van grootte van € 200.000 aan bedrijf X te verstrekken. Door dit niet te doen heeft werknemer gehandeld in strijd met de regels van het kwaliteitshandboek en de gedragsregels voor belastingadviseurs. Die regels zijn van groot belang en schrijven expliciet voor dat het aanhouden van een financieel belang in een cliënt leidt tot een bedreiging van de fundamentele beginselen die door een accountant en diens medewerkers moeten worden nageleefd. Met het verstrekken van een lening aan een klant waarvoor werknemer tevens de jaarrekeningen opstelt, komen de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van het beroep van belastingadviseur in gevaar. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de handelwijze van werknemer dient te worden gekwalificeerd als verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Het hof verwerp tot slot het standpunt van werkgever dat sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Het hof acht daarvoor mede van belang, dat de gedragsregels aan een belastingadviseur werkzaam op een accountantskantoor niet expliciet verbieden om een lening te verstrekken aan een klant, maar dit omschrijven als een situatie die leidt tot een bedreiging als gevolg van eigen belang, die daarom ter kennis moet worden gebracht aan de accountant. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter met verbetering van gronden.