Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 7 mei 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:2009

werkneemster/werkgeefster

Werkneemster weigert medewerking te verlenen aan een mediationtraject. Aangezien werkneemster een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had en het voor beide partijen duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden, levert de weigering tot medewerking aan een mediationtraject geen grond op voor een loonstop.

Feiten

Werkgeefster exploiteert een vakantiepark. Werkneemster is op 6 juni 2017 bij werkgeefster in dienst getreden als administratief receptioniste op basis van een (verlengde) tijdelijke arbeidsovereenkomst tot 31 mei 2019. Naast de vaste werkzaamheden verrichtte werkneemster 24-uurs aanwezigheidsdiensten (hierna: stand-bydiensten). In verband met die diensten is aan werkneemster een woning op het park ter beschikking gesteld. Werkneemster heeft in een gesprek op 9 oktober 2018 aangegeven dat zij de stand-bydiensten erg belastend vond. Toen nieuwe gezondheidsklachten ontstonden bij werkneemster, heeft zij zich op 26 oktober 2018 ziek gemeld. Vervolgens heeft werkneemster de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat sprake is van werkgerelateerde klachten, maar dat werkneemster medisch gezien arbeidsgeschikt is. De volgende dag kreeg werkneemster een voorstel om met de directie van werkgeefster een mediationtraject in te gaan. Werkneemster heeft in reactie een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Uit het deskundigenoordeel van het UWV volgde dat werkneemster niet geschikt werd geacht voor het eigen werk, maar dat er geen contra-indicaties waren voor het houden van mediationgesprekken. Werkgeefster heeft de loondoorbetaling vervolgens per 1 februari 2019 gestaakt. Namens werkneemster is aan werkgeefster gevraagd wat het onderwerp of de inzet van de mediation zou moeten zijn, nu duidelijk was geworden dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster per 1 juni 2019 niet verlengd zou worden. Hierop is door werkgeefster niet meer schriftelijk gereageerd. Werkneemster vordert in kort geding betaling van het achterstallige salaris.

Oordeel

Werkgeefster heeft aangevoerd dat zij de loonbetaling van werkneemster heeft stopgezet, nu werkneemster, in strijd met de adviezen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV, niet wilde meewerken aan een mediationtraject. Voldoende duidelijk is geworden dat beide partijen na het gesprek op 9 oktober 2018 eigenlijk al wel wisten dat de arbeidsovereenkomst na 31 mei 2019 niet zou worden voortgezet. Daar komt bij dat werkgeefster heeft aangestuurd op een voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een vervroegde oplevering van de door werkneemster gehuurde woning op het park. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft werkneemster dan ook terecht gevraagd naar de inzet en het doel van de mediation. Werkgeefster heeft zelf aangegeven dat ook zij als werkgever verplicht was om mee te werken aan de re-integratie en dat zij om die reden het advies tot mediation niet zomaar naast zich neer kon leggen. Uit niets blijkt echter dat werkgeefster de re-integratie van werkneemster ook daadwerkelijk als reële optie heeft beschouwd en dat re-integratie het doel was van de mediation. Uit de mededelingen van werkgeefster kan moeilijk anders geconcludeerd worden dan dat de mediation bedoeld was om te komen tot een voortijdige beëindiging van zowel de arbeids- als de huurovereenkomst. Gelet op deze omstandigheden levert het feit dat werkneemster niet bereid was om in het kader van mediation het gesprek met werkgeefster aan te gaan, geen schending op van de op haar rustende re-integratieverplichting en kan dit geen grond zijn voor een loonstop. Het vorenstaande maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de loonstop onterecht is gedaan en werkneemster recht had op haar gebruikelijke salaris. De kantonrechter wijst de vordering derhalve toe.