Naar boven ↑

Rechtspraak

Pidoux Beheer B.V./werkneemster
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 2 juli 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:2221

Pidoux Beheer B.V./werkneemster

In procedure door werkneemster overgelegde arbeidsovereenkomst (salaris ad € 2.844,85) komt niet overeen met de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst (salaris ad € 2.342,80). Werkneemster is niet geslaagd in bewijslevering. Afwijzing loonvordering.

Feiten

(Zie AR 2019-0715 voor de tussenbeslissing.) Werkneemster is op 1 september 2003 in dienst getreden bij Pidoux Beheer B.V. (hierna: Pidoux), die een cafébedrijf uitoefent. Haar laatste functie was administratief medewerker. Pidoux heeft haar arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV tegen 3 maart 2017 opgezegd om bedrijfseconomische redenen. In eerste aanleg is Pidoux op verzoek van werkneemster veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 15.616 bruto, alsmede tot betaling van salaris over de periode juni 2015 – maart 2017 ter hoogte van € 2.844,85 bruto per maand. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering keert Pidoux zich in hoger beroep. Tussen partijen is de inhoud van de arbeidsovereenkomst in geschil (hoogte loon). Werkgever betwist niet zijn handtekening op bladzijde twee, maar stelt dat de tekst van de niet geparafeerde eerste pagina niet overeenstemt met de tekst van het door partijen ondertekende contract. Bij tussenbeschikking (zie AR 2019-0715) heeft het hof overwogen dat moet worden aangenomen dat de in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst eerst in februari 2016 (en niet begin 2015, zoals werkneemster stelt) is getekend en dat de tekst van de door werkneemster overgelegde eerste bladzijde van die overeenkomst niet overeenstemt met de tekst van de eerste bladzijde van het door bestuurder X en werkneemster ondertekende contract. Werkneemster is in de gelegenheid gesteld tot bewijslevering.

Oordeel

De door werkneemster voorgebrachte getuige is in dienst bij het voormalige accountantskantoor van Pidoux als salarisadministrateur. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de accountant niet bijdragen aan het tegenbewijs waartoe werkneemster is toegelaten. De omstandigheid dat bestuurder X eerst in of omstreeks juni 2015 ingreep in de urenomvang van werkneemster en niet reeds enkele maanden eerder, acht het hof daarvoor onvoldoende. Het hof acht aannemelijk dat de verhoging van de urenomvang vanaf februari 2015, in aanmerking genomen de omvang van het personeelsbestand, aanvankelijk onopgemerkt is gebleven voor X. Dat zou anders zijn geweest indien X specifiek van de door werkneemster aan de salarisadministrateur doorgegeven verhoging in kennis zou zijn gesteld, maar dat is niet gebeurd. De kans op ‘ontdekking’ door X was daarom gering. De salarisadministrateur heeft verder niets kunnen verklaren omtrent de vraag welk salaris is afgesproken tussen partijen. Het hof oordeelt verder dat vaststaat dat het digitale bestand van de arbeidsovereenkomst pas op 10 februari 2016 is aangemaakt en aangenomen moet worden dat werkneemster dat heeft gedaan. Daaruit moet worden geconcludeerd dat de stelling van werkneemster dat partijen de arbeidsovereenkomst op 1 februari 2015 hebben ondertekend niet juist is. Bij gebreke van enigerlei andere verklaring moet aan een en ander de gevolgtrekking worden verbonden dat de tekst van de eerste bladzijde van de door werkneemster overgelegde arbeidsovereenkomst niet overeenstemt met de tekst van de eerste bladzijde van het door X en werkneemster ondertekende contract. Werkneemster is niet geslaagd in het tegenbewijs waartoe zij was toegelaten. Dit betekent dat de loonvordering van werkneemster alsnog moet worden afgewezen en dat de transitievergoeding alsnog moet worden berekend op basis van een (lager) salaris van € 2.342,80 bruto per maand.