Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/AB Service Zuid-Holland B.V
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 2 juli 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1783

Werknemer/AB Service Zuid-Holland B.V

Verjaring is gestuit met indiening van het inleidend verzoekschrift. Grief tegen verjaring slaagt.

Feiten

Werknemer is vanaf 28 mei 2008 in dienst geweest van werkgever. Op de arbeidsovereenkomst is (in ieder geval) de CAO ABU van toepassing. Op of omstreeks 24 maart 2014 is werknemer tijdens zijn werkzaamheden een ongeval overkomen, waarbij zijn hand ernstig is beschadigd. Werknemer had op dat moment een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na het ongeval heeft werknemer geruime tijd niet gewerkt. De door werkgever aangeboden re-integratietrajecten heeft werknemer deels doorlopen. Werkgever heeft over twee periodes een loonstop toegepast. Met terugwerkende kracht heeft het UWV aan werknemer een IVA-uitkering toegekend per 21 maart 2016. De uitkering over de periode van 21 maart 2016 tot 28 februari 2017 is aan werkgever overgemaakt. Per 1 mei 2017 is de arbeidsovereenkomst van werknemer met toestemming van het UWV geëindigd door opzegging. Werkgever heeft een eindafrekening opgemaakt en na verrekening € 1.635,71 (netto) aan werknemer betaald. Werknemer stelt zich op het standpunt dat niet alle aan hem toekomende bedragen zijn voldaan en stelt dat hem een billijke vergoeding behoort toe te komen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter werkgever onder meer veroordeeld aan werknemer achterstallig loon vanwege onjuiste toepassing van uurlonen te betalen en voor recht verklaard dat het ziektegeld dient te worden herberekend. Werknemer komt op tegen dit vonnis.

Oordeel

Ten aanzien van ‘periode 1’ oordeelt het hof dat het niet aan hem is om, zonder nadere toelichting die ontbreekt, te trachten de bedoelingen van werknemer op grond van een nader onderzoek van de stukken uit de eerste aanleg te doorgronden. Een enkel verzoek aan het hof om de zaak 'opnieuw te behandelen met in achtneming van zijn argumentatie en opmerkingen zoals in het procesdossier in 1e aanleg en het beroepschrift verwoord' komt neer op een ongemotiveerde grief en volstaat niet. De grief tegen verjaring slaagt wel. Werknemer heeft onweersproken gesteld dat hij het inleidende verzoekschrift op 28 juni 2012 heeft ingediend, waaruit volgt dat verjaring vanaf 28 juni 2012 is gestuit. Daarmee staat vast dat het loon over de periode van 28 juni 2012 tot 4 juli 2012 nog in de afrekening dient te worden betrokken. Ten aanzien van ‘periode 2’ stelt werknemer dat de loonstroken over diverse weken ontbreken en de kantonrechter daarom ten onrechte uit is gegaan van een lager aantal wekelijkse werkuren. Het hof volgt werknemer daarin niet. Werkgever heef aangegeven dat werknemer in die desbetreffende weken niet heeft gewerkt en geen vakantie had opgenomen. Dit door werkgever ingenomen standpunt, met uitgebreide en heldere berekening, is door werknemer onvoldoende betwist. Ten aanzien van de verzochte billijke vergoeding oordeelt het hof dat de kantonrechter goed heeft gemotiveerd waarom werknemer geen recht heeft op een billijke vergoeding. Werknemer heeft in hoger beroep geen andere stellingen op dit punt aangevoerd. Het hof neemt de motivering van de kantonrechter op dit punt over en maakt deze tot de zijne. Werknemer heeft daarnaast geen belang bij de door hem verzochte loonstroken over de periode vóór periode 1 2012. Werknemer heeft daarnaast niet inzichtelijk gemaakt welke belang hij heeft bij overlegging van oorspronkelijke loonstroken uit 2016 en 2017. Wel heeft werknemer belang bij gecorrigeerde loonstroken over de herberekeningen die op grond van dit arrest nog zullen worden uitgevoerd.