Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 8 juli 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:5569
Dikken Logistics B.V./werknemers
Feiten
Op 1 juli 2018 zijn werknemer krachtens een arbeidsovereenkomst (voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd) in dienst van Dikken Logistics B.V. (hierna: ‘Dikken’) getreden als chauffeur. Dikken heeft bij brief van 1 juli 2018 een brief gestuurd naar werknemers waaruit volgt dat het dienstverband met werknemers per 31 juli 2018 eindigt. De werknemers hebben de kantonrechter in eerste aanleg verzocht om voor recht te verklaren dat de werkdagen gelegen tussen 7 juli en 31 juli 2018 (17 dagen) niet als vakantiedagen mogen worden gezien en derhalve niet ten koste van het verloftegoed van verzoekers mogen komen. Daarnaast maken de werknemers afzonderlijk aanspraak op een vergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 10 BW, een billijke vergoeding, de wettelijke rente over deze vergoedingen vanaf 31 juli 2018, afgifte van ontbrekende loonstroken en uitdraaien van de boordcomputer (geschoond en ongeschoond) op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft de door de werknemers verzochte verklaring voor recht toegewezen alsmede de afgifte van loonstroken en uitdraaien op straffe van een dwangsom. Aan iedere werknemer is de verzochte vergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 10 BW toegewezen. Aan werknemers 1,3,4,5,6 en 7 is tevens een billijke vergoeding toegekend, aan werknemer 3 tevens een transitievergoeding en aan werknemer 4 de vergoeding van de bekeuring. Dikken is veroordeeld in de proceskosten van werknemers. Tegen dit oordeel keert Dikken zich in hoger beroep.
Oordeel
Dikken betoogt dat haar bericht van 1 juli 2018 niet als een opzegging kan worden beschouwd. Of een verklaring van een werkgever al dan niet door een werknemer als een opzegging kon worden opgevat, moet worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. De tekst van het bericht van 1 juli 2018 wijst op onmiskenbare wijze op een opzegging, en niet slechts op het bieden van een mogelijkheid om elders te solliciteren, zoals Dikken thans aanvoert. De werknemers, die geen van allen juridisch onderlegd zijn, mochten het bericht dan ook redelijkerwijs opvatten dat het als doel had de beëindiging van de dan toe bestaande arbeidsovereenkomst met Dikken. Dat enkele werknemers – uit ongeloof, overrompeling en/of anderszins – daarover in eerste instantie (onderling) nog twijfel dan wel vragen hadden, is onvoldoende om daar anders over te oordelen. Dikken heeft ook uitvoering gegeven aan wat zij in het bericht 1 juli 2018 heeft meegedeeld en aldus ook gehandeld in overeenstemming met de hiervoor bedoelde strekking. Het enkele feit dat Dikken – achteraf – stelt geen opzegging van de arbeidsovereenkomsten te hebben beoogd en aan haar bericht een andere strekking wil doen geven, kan, gezien de hiervoor weergegeven maatstaf, niet tot een andere beoordeling leiden. Aangezien met de opzegging van 1 juli 2018 tegen het eind van juli 2018 die termijn van één maand niet in acht is genomen, hebben de werknemers, zoals de kantonrechter heeft overwogen, ingevolge lid 10 van artikel 7:672 BW recht op een vergoeding gelijk aan het loon over de opzegtermijn. Dikken komt verder op tegen de toegewezen billijke vergoeding. Wat betreft de bepaling van de omvang van de billijke vergoeding heeft de Hoge Raad daarvoor in New Hairstyle-beschikking (ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)) gezichtspunten gegeven. Hoewel in die gezichtspunten niet vermeld, kan een eventueel (ook) aan een werknemer te maken dan wel toe te rekenen verwijt, een relevante omstandigheid zijn die een toe te kennen billijke vergoeding kan beperken. Van dergelijke aan werknemers te wijten omstandigheden is, anders dan Dikken betoogt, geen sprake. Het hof ziet geen reden om het toegekende bedrag naar beneden bij te stellen. Er is geen grond voor matiging tot nihil van de vergoedingen ex artikel 7:672 lid 10, de transitievergoeding en de billijke vergoedingen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Het hof zal de beschikking van 28 november 2018 bekrachtigen.