Naar boven ↑

Rechtspraak

X B.V./Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de bouwnijverheid; Stichting opleidings- en ontwikkelingsfonds bouw & infra; Stichting scholingsfonds voor de bouwnijverheid; Stichting aanvullingsfonds bouw & infra
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 juli 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:2674

X B.V./Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de bouwnijverheid; Stichting opleidings- en ontwikkelingsfonds bouw & infra; Stichting scholingsfonds voor de bouwnijverheid; Stichting aanvullingsfonds bouw & infra

Niet-ontvankelijkheid. In het dictum van het tussenvonnis heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat X onder meer valt onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds. Het tussenvonnis is een einduitspraak waartegen X niet binnen de appeltermijn hoger beroep heeft ingesteld.

Feiten

Loon- en aannemingsbedrijf X B.V. (hierna: X) is opgericht in 1986 en houdt zich bezig met asbestverwijdering. Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de bouwnijverheid (hierna: Bpf bouw) is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Stichting opleidings- en ontwikkelingsfonds bouw & infra, Stichting scholingsfonds voor de bouwnijverheid en Stichting aanvullingsfonds bouw & infra (hierna gezamenlijk: de Fondsen) zijn belast met de uitvoering en naleving van de cao bouwnijverheid, thans de cao bouw & infra (hierna: de cao bouw), de cao BTER en het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: het verplichtstellingsbesluit). X heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd te verklaren voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van de cao bouw, de cao BTER en het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw is gevallen, althans dat zij niet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 gehouden is (pensioen)premies te voldoen. De kantonrechter heeft in het dictum in zijn vonnis van 3 juni 2016 onder meer voor recht verklaard dat X in ieder geval vanaf 1 januari 2007 valt onder de werkingssfeer van de sector bouwnijverheid, in het bijzonder van de verplichtstelling van Bpf Bouw. De kantonrechter heeft verder X in het vonnis van 20 juni 2017 veroordeeld tot betaling van premies over de periode van 24 maart 2009 tot en met 31 december 2015. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt X met haar grieven op. De Fondsen hebben zich op het standpunt gesteld dat X niet-ontvankelijk is in haar grieven.

Oordeel

In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter in het dictum in zijn vonnis van 3 juni 2016 beslissingen gegeven omtrent de vraag of, en zo ja vanaf welke datum, X onder de werkingssfeer van de sector bouwnijverheid valt en de vraag met ingang van welke datum X op grond van de regelingen die gelden voor de bouwnijverheid (pensioen)premies c.a. aan de Fondsen verschuldigd is. Aldus heeft de kantonrechter in dit vonnis door een uitdrukkelijk dictum omtrent dit deel van het gevorderde reeds een einde gemaakt aan de eerste instantie en is in zoverre sprake van een einduitspraak waartegen direct een appeltermijn is gaan lopen. De grieven van X zijn alle gericht tegen deze einduitspraak. Aangezien X niet binnen de appeltermijn tegen deze einduitspraak in appel is gegaan, is zij niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Daarom komt het hof ook niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de stelling van X dat de einduitspraak in strijd zou zijn met de openbare orde nu de cao bouw niet algemeen verbindend verklaard had mogen worden. Overigens valt niet in te zien dat, aangenomen dat de einduitspraak in het dictum in het vonnis van 3 juni 2016 in strijd zou zijn met de openbare orde, de kantonrechter bevoegd zou zijn geweest om dat uitgesproken vonnis 'in te trekken' of anderszins in het vonnis van 20 juni 2017 hiervan terug te komen en X heeft haar desbetreffende stellingen ook niet nader onderbouwd. In het vonnis van 20 juni 2017 heeft de kantonrechter vervolgens beslist over de hoogte van de door X aan de Fondsen verschuldigde (pensioen)premies c.a. en de proceskosten. Daartegen heeft X echter geen grieven aangevoerd. X zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep en de bestreden vonnissen zullen bekrachtigd worden. Het hof stelt voorop dat, gelet op de meergenoemde einduitspraak in het dictum in het vonnis van 3 juni 2016, die inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, tussen partijen vast staat dat X in ieder geval vanaf 1 januari 2007 valt onder de werkingssfeer van de bedoelde besluiten en regelingen. Het hof overweegt dat X door haar verplichtingen uit bedoelde regelingen niet na te komen jegens de betreffende Fondsen onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is de dientengevolge door hen geleden schade te vergoeden.

  • Instantie: Gerechtshof Amsterdam
  • Locatie: Amsterdam
  • ECLI: ECLI:NL:GHAMS:2019:2674
  • Roepnaam: X B.V./Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor de bouwnijverheid; Stichting opleidings- en ontwikkelingsfonds bouw & infra; Stichting scholingsfonds voor de bouwnijverheid; Stichting aanvullingsfonds bouw & infra
  • Zaaknummer: 200.226.448/01
  • Nummer: AR-2019-0819