Naar boven ↑

Rechtspraak

Asbestverwijdering Ede B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 juli 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:2681

Asbestverwijdering Ede B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid c.s.

Werkgever (asbestverwijderingsbedrijf) deels niet-ontvankelijk, vanwege te laat instellen hoger beroep. Werkgever gehouden om (ook) over de jaren 2016 en 2017 premies aan (pensioen)fondsen te voldoen. Niet gebleken dat werkgever toen niet meer onder werkingssfeer verplichtstellingsbesluit Bpf viel.

Feiten

Asbestverwijdering Ede B.V. (hierna: AVE) is opgericht in 2005 en houdt zich bezig met asbestverwijdering. De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 mei 2017 voor recht verklaard dat AVE in ieder geval vanaf 17 mei 2007 valt onder de werkingssfeer van de sector bouwnijverheid, in het bijzonder van de verplichtstelling van Bpf Bouw, en derhalve ingevolge artikel 4 Wet Bpf 2000 vanaf die datum gebonden is aan de statuten, reglementen en besluiten van het bestuur van Bpf Bouw, alsmede van de algemeen verbindend verklaarde cao BTER en, voor de periode dat deze algemeen verbindend verklaard was/wordt, de cao bouw. De kantonrechter heeft de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra, de Stichting Scholingsfonds voor de Bouwnijverheid en de Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra (hierna: de Fondsen) vervolgens in de gelegenheid gesteld om hun vorderingen tot betaling van de premies en nota’s opnieuw te berekenen en heeft iedere verdere beslissing aangehouden. In het eindvonnis van 27 november 2017 heeft de kantonrechter overwogen dat hij zich gebonden acht aan de in het vonnis van 2 mei 2017 genomen bindende eindbeslissingen over de werkingssfeer van de sector bouwnijverheid, de mogelijkheid voor de Fondsen om met terugwerkende kracht te vorderen en de verjaringstermijn en dat wat AVE heeft aangevoerd niet kan leiden tot het heropenen van de discussie hierover. De kantonrechter heeft AVE veroordeeld tot betaling van premies over de periode van 15 februari 2008 tot en met 31 december 2015. Thans speelt de kwestie in hoger beroep.

Oordeel

AVE deels niet-ontvankelijk

De Fondsen hebben zich primair op het standpunt gesteld dat AVE te laat hoger beroep heeft ingesteld, nu de grieven gericht zijn tegen de beslissingen in het dictum van het deelvonnis van 2 mei 2017. AVE heeft pas op 15 februari 2018 tegen het deelvonnis van 2 mei 2017 hoger beroep ingesteld, tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis van 27 november 2017. Daarmee staan de beslissingen in het deelvonnis tussen partijen vast, aldus de Fondsen. Het hof volgt dit standpunt, voor zover het de grieven betreft die betrekking hebben op het dictum van het deelvonnis.

Premies over de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2018

Het hof overweegt dat de Fondsen tijdens het pleidooi onweersproken hebben toegelicht dat op verzoek van een werkgever een werkingssfeeronderzoek wordt herhaald wanneer de werkgever stelt dat een wijziging is opgetreden in de activiteiten van zijn onderneming. Een dergelijk verzoek heeft AVE echter niet gedaan zodat het hof als vaststaand aanneemt dat de activiteiten van AVE over de jaren 2016 en 2017 niet, althans niet noemenswaardig zijn gewijzigd ten opzichte van de periode die onderzocht is in het in 2012 gehouden werkingssfeeronderzoek. AVE heeft verder onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens het Aanvullingsfonds en het O&O-Fonds over bedoelde periode zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van deze fondsen. Voor beide fondsen geldt, zoals de Fondsen onweersproken hebben aangevoerd, dat zij collectieve regelingen financieren terwijl tegenover de premiebetaling aan deze fondsen door werkgevers geen rechtstreekse betalingsverplichtingen van de fondsen jegens individuele werknemers staan. Derhalve is AVE gehouden om (ook) over de jaren 2016 en 2017 premies aan de betreffende fondsen te voldoen.