Rechtspraak
werknemer/X
Feiten
De onderneming X is begin 2014 gestart door werknemer, A en B, die ook ieder (indirect) aandelen in X zijn gaan houden. Werknemer en A zijn per 1 maart 2014 in dienst getreden van X als store manager. Bij notariële akte van 11 april 2014 is X formeel opgericht en zijn de respectievelijke persoonlijke vennootschappen van werknemer (hierna: ‘BV’), A en B benoemd tot statutair bestuurders van X. Tussen werknemer en A is vervolgens onenigheid ontstaan. Bij brief van 4 juli 2018 is werknemer opgeroepen voor een algemene vergadering van X met als agendapunt het voorgenomen ontslag van de BV als statutair bestuurder van X. Werknemer is niet verschenen. De BV is tijdens de algemene vergadering als statutair bestuurder ontslagen. Tevens is besloten de arbeidsrelatie met werknemer te beëindigen per 1 september 2018. De rechtbank heeft bij beschikking van 15 november 2018 de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk ontbonden per 1 januari 2019, onder toekenning van een transitievergoeding, waarbij de proceskosten zijn gecompenseerd. Werknemer verzoekt in deze zaak de kantonrechter onder meer om X te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding.
Oordeel
Met betrekking tot de vraag of werknemer ten tijde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst kwalificeerde als statutair bestuurder deelt de rechtbank in dit geding het oordeel van de rechter zoals neergelegd in de beschikking van 15 november 2018, waarin is geconcludeerd dat werknemer moet worden aangemerkt als statutair bestuurder. Het in dit geding gevoerde verweer van werknemer dat hij niet als statutair bestuurder kan worden beschouwd omdat hij niet als zodanig is benoemd, moet worden verworpen omdat zijn persoonlijke management-bv wel als zodanig is benoemd en hij bovendien feitelijk in persoon als bestuurder is opgetreden, welke situatie geheel gelijk moet worden gesteld aan een persoonlijke benoeming als bestuurder. Voor hetgeen de rechtbank omtrent de redelijke ontslaggrond heeft overwogen bij beschikking van 15 november 2018, wordt naar deze uitspraak verwezen. Partijen hebben hierover in dit geding nogmaals hun standpunten naar voren gebracht. Voor zover werknemer aanvullende verklaringen van betrokkenen in het geding heeft gebracht, zijn dat verklaringen van personen die vinden dat werknemer wel goed functioneerde. Die verklaringen kunnen aan de door de rechtbank in die beschikking aangenomen g-grond en h-grond niet afdoen, gezien de situatie die is gerezen tussen werknemer en A. Wat betreft de billijke vergoeding geldt het volgende. Het ernstige verwijt dat X gemaakt kan worden is dat zij werknemer geen kans op herstel heeft gegeven in die zin dat hem te verstaan is gegeven dat de klachten omtrent zijn functioneren zo zwaar wogen dat als zijn inzet niet zou verbeteren door de andere aandeelhouders een ontslagprocedure zou worden voorbereid. Dat is temeer het geval nu nog vlak voordat de ontslagprocedure werd ingezet van werknemer werd gevergd dat hij tot zekerheid voor een te verstrekken krediet een borgstelling voor een bedrag van € 100.000 ondertekende, die nog altijd van kracht is. De rechtbank acht het ernstig verwijtbaar dat in een periode waarin ten minste duidelijk moet zijn geweest dat de andere aandeelhouders zouden kunnen aansturen op ontslag daarover aan werknemer geen duidelijkheid is gegeven en pas nadat de borgstelling ‘binnen was’ het ontslagtraject is ingezet. De rechtbank zal een billijke vergoeding toekennen van € 120.000. Deze zal, zoals verzocht, mogen worden betaald in termijnen. Van die vergoeding wordt € 20.000 onvoorwaardelijk toegekend en € 100.000 onder een ontbindende voorwaarde, te weten dat de uit hoofde van dit deel van de schadevergoeding te betalen termijnen niet langer verschuldigd zullen zijn vanaf het moment dat werknemer volledig wordt bevrijd van zijn verplichtingen uit hoofde van de genoemde borgstelling.