Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Rottingshuis Aannemingsbedrijf B.V. en BNL Timmerbedrijf B.V. en Zurich Insurance PLC
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 29 augustus 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:3936

werknemer/Rottingshuis Aannemingsbedrijf B.V. en BNL Timmerbedrijf B.V. en Zurich Insurance PLC

Nu een beslissing op het onderhavige deelgeschil bewijslevering vereist, weegt naar het oordeel van de kantonrechter de investering in tijd, geld en moeite die met de (verdere) behandeling en beslissing gepaard zou gaan, niet op tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Bewijslevering is daarom niet aan de orde. De kantonrechter oordeelt dat aansprakelijkheid niet vast is komen te staan.

Feiten

Werknemer heeft een Wajong-uitkering en verricht af en toe op vrijwillige basis klussen voor BNL. Met één of meer werknemers van BNL is werknemer naar de bouwplaats gegaan van Rottinghuis en heeft daar opruimwerkzaamheden verricht. Nadat werknemer een plaat op de eerste verdieping heeft verwijderd, is hij door de opening enkele meters naar beneden gevallen en heeft hij letsel opgelopen. De Inspectie heeft na onderzoek vastgesteld dat geen sprake is van werkgever-/werknemerschap als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet en er om deze reden geen sprake is van een arbeidsongeval als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. Werknemer heeft Rottinghuis en BNL op grond van artikel 7:658 lid 1 jo. lid 4 BW aansprakelijk gesteld. Beide hebben aansprakelijkheid afgewezen. Werknemer verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat zowel Rottinghuis als BNL hoofdelijk aansprakelijk is.

Oordeel

De kantonrechter acht zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil. Anders dan Rottinghuis en Zurich bepleiten, wordt het beoordelingskader voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van Rottinghuis naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige geval gevormd door artikel 7:658 BW en niet door artikel 6:162 BW. Werknemer is naar het oordeel van de kantonrechter ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van de aansprakelijkheid van Rottinghuis en BNL in het kader van deze deelgeschilprocedure.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW

Naar het oordeel van de kantonrechter kan de aansprakelijkheid van Rottinghuis en BNL voor de schade in het onderhavige geval niet op artikel 7:611 BW worden gebaseerd. Voor (eventuele) aansprakelijkheid voor een (bedrijfs)ongeval op grond van dit wetsartikel dient er sprake te zijn van een reguliere arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer. Die situatie is hier echter niet aan de orde.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW

Artikel 7:658 BW strekt ertoe bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Vrijwilligerswerk is niet uitgesloten van het beschermingsbereik. Voor aansprakelijkheid van een 'werkgever' moet vaststaan dat Rottinghuis en/of BNLwerknemer werkzaamheden op de bouwplaats heeft laten uitvoeren in de uitoefening van het bedrijf van Rottinghuis en/of BNL. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit deelgeschil niet met voldoende zekerheid komen vast te staan in wiens opdracht werknemer op de bouwplaats werkzaamheden heeft verricht en ook niet of dit in de uitoefening van het bedrijf van Rottinghuis of BNL is geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter is bewijslevering noodzakelijk om vast te kunnen stellen of Rottinghuis en/of BNL kan worden aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW. Tevens bestaat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende duidelijkheid ten aanzien van de instructies die werknemer al dan niet heeft ontvangen alvorens hij met de opruimwerkzaamheden op de bouwplaats aanving. Nu een beslissing op het onderhavige deelgeschil bij de huidige stand van zaken bewijslevering vereist, weegt naar het oordeel van de kantonrechter de investering in tijd, geld en moeite die met de (verdere) behandeling en beslissing op dit deelgeschil gepaard zou gaan, niet op tegen het (thans bekende) belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Bewijslevering is daarom niet aan de orde. De kantonrechter oordeelt dat aansprakelijkheid niet vast is komen te staan. Nu de aansprakelijkheid niet is vastgesteld, is de verzochte veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar.