Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Patyna
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 8 mei 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:1980

werknemer/Stichting Patyna

Regiomanager in de ouderenzorg is zonder redelijke en voldoende zwaarwegende grond en zonder toepassing hoor en wederhoor op non-actief gesteld. Schending goed werkgeverschap. Toewijzing vordering tot wedertewerkstelling.

Feiten

Werknemer is op 1 mei 2005 bij (de rechtsvoorganger van) Stichting Patyna in dienst getreden als locatiemanager (thans aangeduid als regiomanager). Patyna is gespecialiseerd in ouderenzorg in Friesland en exploiteert dertig zorglocaties die verdeeld zijn over vijf regiomanagers. Naar aanleiding van een incident in november 2018 heeft een extern onderzoeksbureau onderzoek verricht en een onderzoeksrapport opgesteld. Naar aanleiding van dat rapport is werknemer per direct van zijn taken en verantwoordelijkheden ontheven bij een van de zorglocaties. Binnen die zorglocatie zou een cultuurprobleem spelen waarbij ‘sprake is van een onduidelijk moreel kompas bij medewerkers’. Partijen hebben tot op heden geen overeenstemming weten te bereiken over de werkhervatting van werknemer en een rectificatie voor wat betreft de interne communicatie over het vertrek van werknemer. Werknemer vordert in kort geding wedertewerkstelling en een rectificatie.

Oordeel

Werknemer heeft gesteld dat Patyna zich niet als goed werkgever heeft gedragen door hem direct op non-actief te stellen, zonder hoor en wederhoor toe te passen. De kantonrechter volgt werknemer in dit standpunt. De enkele mogelijkheid die werknemer is geboden op 25 februari 2019 om zijn inhoudelijke reactie op het onderzoeksrapport te geven, wordt in dit verband als volstrekt onvoldoende beschouwd. Immers, in het bijzijn van derden werd werknemer gemeld dat besloten werd dat hij uit zijn taken op de zorglocatie zou worden ontheven, maar niet gesteld of gebleken is dat op dat moment (concrete) redenen voor dat besluit aan werknemer kenbaar zijn gemaakt. Het op non-actief stellen van werknemer op 25 februari 2019, terwijl hij zich daar op geen enkele manier op heeft kunnen voorbereiden met het in het ongewisse laten over de concrete redenen die ten grondslag lagen aan de op non-actiefstelling, getuigen niet van goed werkgeverschap en maken dat de op non-actiefstelling op het moment dat deze is ingegaan, 25 februari 2019, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet gerechtvaardigd was. Verder is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Patyna onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een redelijk en zwaarwegend belang ten grondslag ligt aan de op non-actiefstelling van werknemer. Niet aannemelijk is geworden dat de rapportages van het onderzoeksbureau een verwijzing of suggestie ten aanzien van het functioneren van de regiomanager bevatten, laat staan dat er een advies in te lezen valt dat werknemer op non-actief zou moeten worden gesteld. Er is slechts geadviseerd om het zittend management te evalueren. Ten slotte neemt de kantonrechter in aanmerking dat de noodzaak van de ontheffing van werknemer van zijn reguliere werkzaamheden als regiomanager in verband met de uitvoering van het onderzoek vooralsnog niet is gebleken. Zelfs als moet worden aangenomen dat er voldoende aanleiding is om het onderzoek te verrichten zoals Patyna dat voorstaat, valt niet in te zien waarom Patyna niet had kunnen volstaan met een minder verstrekkende maatregel waarbij werknemer – evenals het geval was tijdens een eerder incident in juni 2017 – ten tijde van het onderzoek zijn taken als regiomanager kan blijven uitvoeren. De conclusie is dat Patyna in de gegeven omstandigheden niet als goed werkgever heeft gehandeld, nu zij zonder een redelijke en voldoende zwaarwegende grond daartoe en zonder overleg met werknemer over de ontstane situatie hem niet langer in de gelegenheid heeft gesteld zijn werk te verrichten. De vordering tot wedertewerkstelling wordt dan ook toegewezen. Voor de rectificatie met de inhoud als gevorderd door werknemer acht de kantonrechter – gelet op de verstrekkende formulering daarvan en in het kader van deze procedure, die een voorlopige voorziening behelst – geen plaats.