Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 oktober 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:8279
Stichting naleving cao voor uitzendkrachten/werkgeefster c.s.
Feiten
Werkgeefster was enig bestuurder van werkgeefster X (samen werkgeefster c.s.). Werkgeefster X was enig bestuurder van A BV. A BV was enig bestuurder en enige aandeelhouder van PBC Techniek B.V. In PBC werd een uitzendonderneming gedreven. PBC was gebonden aan de ABU-cao en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Bij brief van 17 november 2016 heeft SNCU aan PBC verzocht om inlichtingen als bedoeld in artikel 5 van Reglement II. SNCU heeft PBC meermaals aangemaand. Bij brief van 10 februari 2017 heeft SNCU aan PBC onder meer bericht dat SNCU aan controle-instelling CROP Certificering heeft opgedragen om op locatie een controle uit te voeren. Op 19 juni 2017 is dat onderzoek uitgevoerd. Hierin is onder meer opgenomen dat er diverse materiële en immateriële afwijkingen zijn geconstateerd. SNCU heeft aan PBC medegedeeld dat zij in elk geval de materiële benadeling moet herstellen. PBC heeft bezwaar gemaakt tegen het rapport. Dit bezwaar is niet gehonoreerd. PBC heeft de herstelverklaring niet afgegeven en de herstelbetaling niet verricht. Evenmin heeft zij de schadevergoeding betaald. Op 18 april 2018 is PBC ontbonden. Eveneens is per diezelfde datum A BV ontbonden. Bij brieven van 15 mei 2018 heeft SNCU werkgeefster c.s. in hun hoedanigheid van (middellijke) bestuurder van PBC aansprakelijk gesteld. SNCU vordert werkgeefster c.s. uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk te veroordelen de materiële benadeling aan de ex-werknemers van PBC te voldoen alsmede schadevergoeding en aanvullende schadevergoeding aan SNCU te voldoen.
Oordeel
Ten aanzien van het verweer dat SNCU niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij niet optreedt als belangenbehartiger overweegt de rechtbank dat SNCU op grond van de Wet AVV in samenhang met de Cao sociaal fonds voor de uitzendbranche bevoegd is de onderhavige vorderingen jegens PBC in te stellen zonder dat zij daarvoor een aparte procesvolmacht behoeft. Het tweede verweer is dat SNCU niet bevoegd is om het herstelbedrag te vorderen, kort gezegd omdat PBC is ontbonden en de gevorderde bedragen niet meer kan voldoen. Ook dit verweer slaagt niet. De ontbinding van PBC en de (on)mogelijkheid om de herstelbetaling aan de ex-werknemers te doen zijn aparte problemen van praktische aard die los staan van de bevoegdheid van SNCU om te ageren en die ook niet zonder meer het belang van SNCU om te ageren teniet doen.
De grootte van de verplichting van PBC tot het doen van een herstelbetaling
Werkgeefster c.s. hebben ter comparitie het verweer gevoerd dat het bedrag van € 54.241 slechts indicatief is, en dat het op de weg van SNCU lag om een concreet bedrag vast te stellen. De rechter overweegt dat werkgeefster c.s. niet hebben gesteld en onderbouwd waarom de steekproefsgewijze controle geen voldoende zorgvuldige wijze van vaststelling van de hoogte van de materiële afwijkingen was. Het indicatieve karakter staat er niet aan in de weg om thans in dit geding een concreet bedrag van € 54.241 te vorderen. Werkgeefster c.s. hebben verder gesteld dat zij extra prestatietoeslagen hebben betaald en dat die onverschuldigd zijn betaald. Zij beroepen zich op verrekening. De rechtbank overweegt dat de prestatietoeslagen niet concreet zijn onderbouwd. Uit het overgelegde rapport blijkt bovendien dat ook zij heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van onderbetaling. Het beroep op verrekening slaagt niet.
Bestuurdersaansprakelijkheid
SNCU maakt aan werkgeefster c.s. het verwijt dat zij hebben bewerkstelligd of toegelaten dat PBC de herstelbetalingsverplichting niet is nagekomen en ook geen verhaal biedt voor de daardoor ontstane schade. SNCU stelt dat A BV het doen van de uitkering aan de aandeelhouder heeft bewerkstelligd althans heeft toegelaten. Het gevolg hiervan was dat PBC haar mogelijk nog opkomende verplichtingen niet kon nakomen. Het risico van een nog opkomende vennootschapsverplichting is vervolgens werkelijkheid geworden vanaf het moment van rapportering door CROP Certificering. Hoewel niet bekend met een bestaande of gepretendeerde vordering moet A BV ten tijde van het haar verweten handelen wél bekend worden geacht met de omstandigheid dat PBC als uitzendonderneming onder toezicht stond van SNCU en dat de onderneming elk moment aan een onderzoek zijdens SNCU kon worden onderworpen. De rechtbank is van oordeel dat aan A BV als bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De bestuurder is daarmee op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade van de ex-werknemers en van SNCU.