Naar boven ↑

Rechtspraak

CSU Services I B.V./werkneemster
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 1 november 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:12391

CSU Services I B.V./werkneemster

Arbeidsongeschikte werkneemster meldt zich herhaaldelijk ziek uit aangepaste werkzaamheden terwijl bedrijfsarts en verzekeringsarts van het UWV werkneemster herhaaldelijk in staat geacht hebben deze te verrichten. Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen werkneemster .

Feiten

Werkneemster is op 22 april 2018 in dienst getreden bij CSU Services I B.V. (hierna: CSU) in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. Op 27 augustus 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Werkneemster is door de bedrijfsarts op 11 september 2018 in staat geacht om aangepast werk te verrichten, waarmee zij ook is begonnen. Op 13 september 2018 heeft werkneemster zich opnieuw ziek gemeld. Op 27 september 2018 heeft de bedrijfsarts werkneemster wederom in staat geacht om aangepaste werkzaamheden te verrichten. CSU heeft werkneemster op 28 september 2018 laten weten het loon op te schorten voor de tijd dat werkneemster de werkzaamheden niet hervat. Op 5 oktober 2018 heeft werkneemster de aangepaste werkzaamheden hervat. Op 15 oktober 2018 heeft werkneemster zich opnieuw ziek gemeld. Hierna heeft de bedrijfsarts werkneemster nogmaals in staat geacht om aangepaste werkzaamheden te verrichten. CSU heeft werkneemster nogmaals verzocht om de aangepaste werkzaamheden te hervatten. Op 13 november 2018 heeft CSU een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft op 25 januari 2019 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van werkneemster onvoldoende zijn. CSU heeft werkneemster per brief op 22, 28 en 31 januari 2019 verzocht om de aangepaste werkzaamheden te hervatten. Op 8 mei 2019 heeft werkneemster een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Op 9 juli 2019 heeft het UWV geoordeeld dat haar eerdere oordeel van 25 januari 2019 in stand blijft. CSU verzoekt bij beschikking de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond.  

Oordeel

Gelet op de goed onderbouwde en geconcretiseerde stelling van CSU is het aan werkneemster om deze stelling gemotiveerd te weerspreken. Dat heeft werkneemster echter niet gedaan. Werkneemster heeft weliswaar een aantal bevestigingen overgelegd waaruit volgt dat zij afspraken heeft gehad in het ziekenhuis, alsmede een foto laten zien waaruit blijkt dat zij medicatie gebruikt, maar uit die stukken kan de kantonrechter niet afleiden dat zij al dan niet in staat was om de door de bedrijfsarts geadviseerde werkzaamheden te verrichten. Die vraag wordt door het deskundigenoordeel van het UWV wel beantwoord. Bovendien heeft het UWV in zijn deskundigenoordeel van 9 juli 2019 (opnieuw) geoordeeld dat werkneemster onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht. De nieuwe medische informatie die werkneemster bij haar verweerschrift heeft overgelegd, hebben de conclusie in het eerdere deskundigenoordeel van 25 januari 2019 dus niet aangetast. In onderhavige procedure is vast komen te staan dat werkneemster haar verplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet is nagekomen. Daarmee is eveneens vast komen te staan dat werkneemster verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en ligt herplaatsing niet in de rede. Nu sprake is van een redelijke grond voor ontslag en herplaatsing niet in de rede ligt, zal de kantonrechter op grond van artikel 7:671b lid 1 BW overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gelet op het feit dat het niet meewerken door werkneemster aan haar re-integratie haar ernstig te verwijten valt, zal de kantonrechter bepalen dat aan werkneemster geen transitievergoeding toekomt.