Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 4 december 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:5063
werknemer/Arriva Personenvervoer Nederland B.V.
Feiten
Werknemer is werkzaam geweest in dienst van Arriva Personenvervoer Nederland B.V. (hierna: Arriva) als buschauffeur op de vestiging Dordrecht. In 2016 heeft Arriva een onderzoek laten instellen naar ‘communicatie op de werkvloer’ (hierna: het onderzoek). Werknemer heeft evenals zijn toenmalige collega’s aan dit onderzoek deelgenomen en met hem zijn gesprekken gevoerd. Arriva heeft het rapport met uitkomsten niet gepubliceerd of ter inzage aan de betrokken personeelsleden gegeven, omdat zij het als een vertrouwelijk rapport heeft aangemerkt. Bij e-mailbericht van 5 april 2017 heeft de toenmalige gemachtigde van werknemer aan Arriva gevraagd om toezending van een kopie van het rapport. Arriva heeft alleen de conclusies en aanbevelingen uit het rapport toegestuurd. Nadien heeft de huidige gemachtigde van werknemer meermaals opnieuw verzocht om toezending van het rapport. Arriva heeft deze verzoeken steeds afgewezen. Werknemer verzoekt de rechtbank om Arriva te veroordelen tot het verstrekken van een kopie van de persoonsgegevens die zijn verwerkt (zijnde de rapportage naar aanleiding van het onderzoek 'communicatie op de werkvloer') aan hem en beroept zich daarbij op de AVG. Arriva heeft als haar meest verstrekkende verweer aangevoerd dat werknemer niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. Volgens Arriva had werknemer het verzoek bij de rechtbank in moeten dienen binnen zes weken na de afwijzing van het eerste verzoek om inzage in/toezending van het rapport communicatie op de werkvloer (in april 2017).
Oordeel
De rechtbank overweegt het volgende. In het onderhavige geval heeft werknemer (voor de eerste keer) op 5 april 2017 aan Arriva gevraagd om toezending van een kopie van het rapport, waarop Arriva op 10 april 2017 heeft geantwoord. Niet in geschil is dat Arriva binnen de daarvoor geldende termijnen heeft gereageerd. Werknemer had dan ook – nu hij het niet eens was met het antwoord van Arriva – binnen zes weken na 10 april 2017 een verzoekschrift bij de rechtbank in moeten dienen. Dat heeft hij niet gedaan. Het verzoekschrift van werknemer is namelijk gedateerd op 26 juli 2019 en ontvangen bij de rechtbank op 9 augustus 2019. De gemachtigde van werknemer heeft gesteld – zo begrijpt de rechtbank het – dat in het onderhavige geval een nieuwe termijn is gaan lopen omdat Arriva mondjesmaat steeds delen van het rapport aan werknemer heeft vrijgegeven en het hem pas in juli 2019 duidelijk werd dat verder geen inzage of informatie meer zou worden verstrekt. De rechtbank gaat hier niet in mee. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van artikel 35 lid 2 UAVG mee dat het niet de bedoeling is dat met het indienen van herhaalde verzoeken kan worden bewerkstelligd dat er (steeds weer) een nieuwe termijn gaat lopen. Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.