Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Van Lanschot N.V.
Hoge Raad, 13 december 2019
ECLI:NL:HR:2019:1950

werknemer/Van Lanschot N.V.

Voormalig werkgever (bank) handelt niet onrechtmatig door op verzoek van DNB negatieve informatie over werknemer (ontslag op staande voet naar aanleiding van actieve bemoeienis met zwart geld van cliënte) aan nieuwe werkgever (bank) te verstrekken. Artikel 81 Wet RO.

Feiten

Werknemer is in 1996 in dienst getreden bij Van Lanschot N.V. Laatstelijk was hij werkzaam in de functie van senior wealth manager en had hij de titel commercieel directeur. Op 6 juni 2011 is werknemer op staande voet ontslagen, nadat er naar hem een compliance-onderzoek was uitgevoerd, waaruit bleek dat hij actieve bemoeienis had gehad met zwart geld van een cliënte zonder zijn werkgever daarvan in kennis te stellen. Werknemer heeft na zijn ontslag gesolliciteerd bij de Rabobank op een vacature manager private banking. De Rabobank heeft bij Van Lanschot informatie ingewonnen over de betrouwbaarheid van werknemer. Van Lanschot heeft de Rabobank er toen op gewezen dat werknemer op staande voet is ontslagen en voor een verdere toelichting naar werknemer verwezen. Werknemer en de Rabobank hebben vervolgens een arbeidsovereenkomst gesloten, ingaande per 1 oktober 2011, met een proeftijd van twee maanden. In de procedure aangaande het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Van Lanschot heeft Van Lanschot aangegeven dat zij, als Rabobank nogmaals om schriftelijke informatie zou vragen, wederom naar werknemer zal verwijzen. De voorzitter van de raad van bestuur van Van Lanschot heeft op 23 september 2011 aan de Directeur Toezicht van Rabobank Nederland in een telefoongesprek medegedeeld (1) dat een medewerker bij de Rabobank in dienst zou komen die Van Lanschot op staande voet had willen ontslaan, (2) dat Van Lanschot een incidentmelding had gedaan bij DNB en DNB te kennen heeft gegeven dat het goed zou zijn om het incident door te geven aan de Rabobank en (3) dat werknemer een nauwe relatie had met een cliënte die hij had geadviseerd over fiscaal niet gekend geld (hierna: de Mededeling). Eind november 2011 heeft de Rabobank de arbeidsovereenkomst met werknemer met een beroep op de proeftijd beëindigd. In rechte is komen vast te staan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. In de onderhavige procedure heeft werknemer in eerste aanleg onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat Van Lanschot jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, onder toekenning van een schadevergoeding. De vorderingen zijn toegewezen. In hoger beroep heeft het hof beslist dat het handelen van Van Lanschot in beginsel onrechtmatig is jegens eiser, maar dat het verzoek van DNB om de Mededeling te doen een rechtvaardiging oplevert als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Werknemer heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld.

Conclusie P-G Drijber

Enkele geschilpunten nader belicht

Deze zaak raakt aan het spanningsveld tussen de bescherming van de sollicitant en de borging van de integriteit binnen financiële ondernemingen. Uiteindelijk draait het geschil om de rechtmatigheid van het doen van de Mededeling. De P-G kan zich goed voorstellen dat het in dienst nemen van iemand die wegens een ernstige integriteitsschending bij een andere bank op staande voet is ontslagen, een alarmbel heeft doen rinkelen. Het lastigste aspect in deze zaak betreft de driehoek Van Lanschot – DNB – Rabobank Nederland. In dat verband is in feitelijke instanties meer aandacht besteed aan bepaalde onderwerpen dan achteraf gezien nodig was geweest. Een van die onderwerpen is de vraag of DNB bevoegd was om Van Lanschot te verzoeken de Mededeling te doen en, in het verlengde daarvan, of Van Lanschot verplicht was aan een dergelijk verzoek van DNB gevolg te geven. De in feitelijke aanleg door Van Lanschot betrokken stelling dat zij op grond van artikel 5:20 Awb verplicht was aan het verzoek tot het doen van de Mededeling gevolg te geven, miskent dat die bepaling niet geldt voor informele verzoeken waarvan hier kennelijk sprake was. Dit neemt niet weg dat de verhoudingen zo zijn dat een bank wel wordt geacht iets te doen met een verzoek van DNB.

De belangrijkste beslissingen van het hof nader belicht

Het hof heeft, kort samengevat, het volgende beslist:

(a) Het handelen van Van Lanschot is in beginsel onrechtmatig jegens werknemer

Het hof heeft blijkens r.o. 3.31.1 aangenomen dat de Mededeling aan Rabobank Nederland onrechtmatig is als daartoe geen verzoek door DNB is gedaan. Daarbij heeft het hof onder meer betekenis toegekend aan de betrokken belangen en het gewekte vertrouwen aan de zijde van werknemer dat geen mededeling zou worden gedaan. Een ander oordeel was volgens de P-G goed mogelijk geweest. Het hof had kunnen oordelen dat de ernst van de gedragingen van werknemer zodanig was dat de handelwijze van Van Lanschot daardoor was gerechtvaardigd. Cassatie biedt echter geen derde feitelijke instantie en het andersluidende oordeel van het hof is toereikend gemotiveerd.

(b) DNB heeft Van Lanschot verzocht de Mededeling te doen

Volgens de P-G is twijfel mogelijk of datgene wat het hof in het eindarrest als bewezen heeft aangenomen, ook daadwerkelijk op die manier heeft plaatsgevonden. Het bewijsoordeel steunt in hoge mate op één getuigenverklaring van een lid van de raad van bestuur van Van Lanschot. Wat hier verder ook van zij, de bewijswaardering is aan het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden en het komt aan op de redelijke mate van zekerheid die het hof daaromtrent heeft verkregen. Het bewijsoordeel van het hof is voldoende gemotiveerd om zijn beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

(c) Het verzoek van DNB leverde voor Van Lanschot een rechtvaardiging op als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW

Hoe moet dit oordeel van het hof nu worden gelezen? De volgende lezing ligt volgens de P-G voor de hand. Het hof heeft in r.o. 3.25.3 overwogen dat Van Lanschot op grond van wet- en regelgeving bevoegd was de Mededeling te doen, maar dat enkel die bevoegdheid in deze zaak niet het uit eigen beweging, zonder daartoe strekkend verzoek van DNB, doen van de Mededeling rechtvaardigt. Het is de bevoegdheid de Mededeling te doen, in combinatie met een daartoe strekkend verzoek van DNB, die volgens het hof een rechtvaardigingsgrond oplevert. De overweging in r.o. 3.26.3 dat de handelwijze van Van Lanschot gerechtvaardigd is, indien komt vast te staan dat DNB tot het doen van de Mededeling heeft verzocht, is dan een vervolg op r.o. 3.25.3. De mate waarin het verzoek dwingend was, is in die benadering niet doorslaggevend.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.