Rechtspraak
X/Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim
Feiten
(Cassatieberoep van AR 2018-0874.) De heer X en de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim (hierna: Windesheim) hebben op 20 juli 2012 een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst, die als titel draagt 'Overeenkomst van opdracht', bepaalt dat de opdrachtnemer, die de overeenkomst namens zijn eenmanszaak is aangegaan, vanaf 1 augustus 2012 tot 1 februari 2013 werkzaamheden voor Windesheim verricht, bestaande uit het verzorgen van onderwijs. Op enig moment heeft Windesheim meerdere signalen ontvangen over grensoverschrijdende gedragingen van X jegens studenten. Daarop heeft Windesheim aangegeven het risico van grensoverschrijdend gedrag te groot te vinden om de overeenkomst met X voort te zetten. X heeft in eerste aanleg – kort gezegd – een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsrelatie tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst en dat Windesheim aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden op grond van artikel 7:658 BW. In eerste aanleg is geoordeeld dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is, dat Windesheim de zorgplicht ex artikel 7:658 lid 4 BW niet heeft geschonden en dat van onrechtmatig handelen jegens X geen sprake is geweest. Het hof oordeelde in lijn met hetgeen in eerste aanleg is geoordeeld. Docent X heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld.
Conclusie P-G (Langemeijer)
Beroep opdrachtnemer op artikel 7:658 lid 4 BW
Het hof heeft geoordeeld dat van aansprakelijkheid op de voet van artikel 7:658 BW geen sprake is, nu de (eventuele) schade niet is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. X heeft zich echter op het standpunt gesteld dat wel degelijk gesproken kan worden over een ‘arbeidsongeval’. Volgens X is de confrontatie met de signalen dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag wel aan te merken als schade geleden binnen de werkomgeving, waarvoor de werkgever/opdrachtgever aansprakelijk is. De P-G overweegt dat het oordeel van het hof dat geen aansprakelijkheid bestaat op grond van artikel 7:658 BW, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de bedoelde signalen binnen de werkomgeving zijn geuit (te weten: door studenten aan één of meer docenten/studiebegeleiders van Windesheim; vervolgens zijn zij door dezen ter kennis gebracht van de leidinggevende), waarna de leidinggevende, nog steeds binnen de werkomgeving, deze signalen ter kennis van de docent heeft gebracht. In zoverre kan niet worden gezegd dat de feiten waarop de docent zijn vorderingen heeft gegrond zich geheel of grotendeels hebben afgespeeld in een privésfeer waarover de werkgever/opdrachtgever geen zeggenschap heeft. Toch behoefde het hof dit niet beslissend te achten. In het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005 is bevestigd dat voor de toepassing van artikel 7:658 BW nodig is dat sprake is van (1) een schending van een norm als in die bepaling bedoeld en (2) risico’s die zijn verbonden aan het werk en de werkomgeving. De omstandigheid dat de leidinggevende de hem ter ore gekomen signalen ter kennis van de docent heeft gebracht levert geen schending op van enige in artikel 7:658 BW neergelegde norm voor de werkgever. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat collega-docenten met elkaar en met de leidinggevende hebben gesproken over de signalen die zij van studenten hadden ontvangen. Wat betreft het tweede punt: in de procedure bij het hof was niet aangevoerd dat het hier zou gaan om risico’s die aan het werk als docent of aan de werkomgeving verbonden zijn, waartegen Windesheim de docent had moeten beschermen.
Nader onderzoek naar juistheid signalen
Het tweede onderdeel van het cassatiemiddel heeft in het bijzonder betrekking op de vraag of nader onderzoek had moeten plaatsvinden naar het beweerde gedrag van de docent, alvorens te besluiten tot het niet verlengen van de overeenkomst. De P-G stelt in dit kader voorop dat het Windesheim, gelet op de contractsvrijheid, in beginsel vrij stond de overeenkomst niet te verlengen. Volgens het hof moest Windesheim beslissen vóór 1 februari 2013, de datum waarop de lopende overeenkomst zou eindigen. Gelet op dit korte tijdsbestek kon volgens het hof van Windesheim niet worden gevergd dat zij vóór die datum uitvoeriger onderzoek naar de inhoudelijke juistheid van de signalen deed dan zij in feite heeft gedaan. In de redenering van het hof was een verdergaand onderzoek ook niet nodig: het hof heeft de handelwijze van Windesheim getoetst aan de gerechtvaardigde verwachtingen die de docent mocht hebben na het gesprek van 12 september 2012. In de redenering van het hof werden die verwachtingen in belangrijke mate bepaald door het antwoord op de vraag of na 12 september 2012 nieuwe signalen over ongepaste gedragingen van de docent ten opzichte van studenten zijn uitgebleven (hetgeen niet het geval was). Het alternatief – voorlopig verlengen van de overeenkomst in afwachting van de resultaten van een nader onderzoek naar deze signalen − is door het hof niet in overeenstemming geacht met de verantwoordelijkheid van Windesheim voor een veilige leeromgeving voor haar studenten. Dat oordeel geeft volgens de P-G geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk: Windesheim had niet slechts een verantwoordelijkheid jegens de docent, maar ook jegens haar studenten. Zij heeft die laatste verantwoordelijkheid het zwaarst mogen laten wegen.
Oordeel Hoge Raad
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.