Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 26 februari 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:1361
Feiten
Werkneemster is vanaf 1 november 1999 in dienst geweest bij Stichting De Lichtenvoorde als sectormanager. Zij maakte deel uit van het managementteam. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gehandicaptenzorg van toepassing. Op 21 juni 2017 heeft De Lichtenvoorde werkneemster medegedeeld dat haar functie met ingang van 1 juli 2017 zou komen te vervallen. Zij is vanaf laatstgenoemde datum vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon. In de periode van 26 oktober 2017 tot 5 april 2019 is werkneemster arbeidsongeschikt geweest. Bij beschikking van 11 februari 2019 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en De Lichtenvoorde ontbonden met ingang van 1 juli 2019. Werkneemster vordert thans veroordeling van De Lichtenvoorde tot betaling van nog openstaande vakantiedagen. Werkneemster voert daartoe aan dat zij vanaf de zomer van 2016 geen vakantiedagen meer heeft opgenomen, hetgeen betekent dat bij einde dienstverband nog 55 vakantiedagen openstonden. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij redelijkerwijs niet in staat is geweest gedurende de periode van 1 juli 2017 tot 1 juli 2019 vakantie op te nemen, zodat De Lichtenvoorde de niet genoten vakantiedagen aan haar moet betalen.
Oordeel
De periode waarin werkneemster betaald verlof genoot op grond van artikel 8:17 van de cao, is naar het oordeel van de kantonrechter aan te merken als een periode waarin vakantie geen nuttig effect heeft, een en ander zoals in het arrest Maschek/Magistratsdirektion der Stadt Wien is bedoeld. Dit leidt ertoe dat het verval van de aanspraak op de uitbetaling van vakantiedagen niet in strijd is met artikel 7 Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (hierna: de Richtlijn). Werkneemster heeft echter aangevoerd dat zij in de periode van oktober 2017 tot en met april 2019 arbeidsongeschikt is geweest, waardoor zij niet in staat is geweest vakantie op te nemen, met als gevolg dat het vervallen van haar aanspraak op vakantiedagen wel in strijd zou komen met artikel 7 van de Richtlijn. Werkneemster heeft echter de gemotiveerde betwisting van De Lichtenvoorde dat deze arbeidsongeschiktheid de gehele periode situatief is geweest, niet weerlegd, zodat het ervoor gehouden wordt dat de arbeidsongeschiktheid van werkneemster louter situatief is geweest. Werkneemster heeft aangevoerd dat De Lichtenvoorde haar niet heeft geïnformeerd over haar nog openstaande vakantiedagen en het verval van haar aanspraken, met als gevolg dat zij redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Het Europese Hof van Justitie heeft de informatieplicht door de werkgever voorgeschreven, onder meer omdat de verantwoordelijkheid om jaarlijks vakantie op te nemen niet alleen op de werknemer dient te rusten. Als dat wel het geval zou zijn, zou een werknemer afstand kunnen doen van vakantierust, wat onverenigbaar is met de doelstellingen van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie bestaan deze doelstellingen erin te verzekeren dat de werknemer in het belang van een doeltreffende bescherming van zijn veiligheid en gezondheid daadwerkelijk de gelegenheid krijgt om uit te rusten van het werk dat hij in het kader van zijn arbeidsovereenkomst moet verrichten en rust kan genieten. Omdat – zoals hiervoor is overwogen – de periode waarover werkneemster aanspraak maakt op betaling van niet genoten vakantiedagen is aan te merken als een periode waarin vakantie geen nuttig effect heeft, rustte de uit het arrest Max Planck/Shimizu aan de werkgever opgelegde informatieverplichting naar het oordeel van de kantonrechter niet op De Lichtenvoorde. Uit het voorgaande volgt dat de aanspraak van werkneemster op de niet genoten vakantiedagen is vervallen. De vordering van werkneemster wordt afgewezen.