Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 februari 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:474
Feiten
Werknemer is op 1 april 2011 in dienst getreden bij ERS. In de arbeidsovereenkomst is een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. In een op 6 februari 2013 getekende aandelenovereenkomst is bepaald dat werknemer en X ieder voor 50% zullen deelnemen in het resultaat van de onderneming van ESR. In een e-mail d.d. 3 november 2015 heeft werknemer aan X afspraken bevestigd, waaronder (1) salarisverhoging, (2) continuïteit bonusregeling per kwartaal en (3) opzetten nieuwe bv SF Beheer. Bij e-mail d.d. 6 april 2016 heeft werknemer een aankoopfactuur van een quad, op naam van ERS, aan X gezonden. Op 11 juli 2016 is SF Beheer B.V. opgericht. Deze vennootschap is enig aandeelhouder en bestuurder van de eveneens op 11 juli 2016 opgerichte vennootschap Mainstay 4 Brands B.V. Op 11 januari 2017 heeft D (secretaresse bij De X Events) de getekende overeenkomst toegestuurd. Bij e-mail van 6 maart 2017 heeft Auto Lease Company aan werknemer het verzoek gedaan een leasecontract met betrekking tot een Audi te doen ondertekenen door X. In februari en maart 2018 hebben X en werknemer gesproken over overname door werknemer van de aandelen van X in ERS. Bij brief van 22 mei 2018 heeft X aan werknemer meegedeeld dat hij per direct op non-actief wordt gesteld en hem verzocht alle spullen van de zaak en de leaseauto in te leveren. De reden daarvoor was “met name de vervalste handtekening en de facturen die zijn uitgereikt door een door werknemer beheerste vennootschap ten aanzien van omzet die toebehoort aan ERS (…)”; verder zou er “nog een hele lijst met incidenten zijn geweest”. Op enig moment heeft ERS besloten werknemer op het werk te laten terugkeren. In eerste aanleg heeft ERS ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden. Werknemer komt hiertegen in hoger beroep.
Oordeel
Het hof zal eerst stilstaan bij het verweer van ERS dat werknemer in zijn verzoeken om een billijke vergoeding en de transitievergoeding in hoger beroep niet-ontvankelijk is, gelet op de vervaltermijnen. Het hof oordeelt dat de billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 sub c BW ambtshalve kan worden toegekend, dus zonder dat daarvoor een (tegen)verzoek van werknemer is vereist. De vervaltermijn is daarop dan ook niet van toepassing. Ten aanzien van de transitievergoeding heeft werknemer binnen de termijn van drie maanden bij beroepschrift verzocht om de transitievergoeding. Het kan werknemer niet worden tegengeworpen dat hij geen afzonderlijk tijdig verzoek bij de kantonrechter heeft ingediend, zoals vermeld in artikel 7:686a lid 4 BW. Dat zou ook onnodige complicaties met zich brengen.
Vergoedingen
Werknemer heeft in zijn verweerschrift de verstoorde arbeidsverhouding erkend. De kantonrechter heeft op die grond tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen overgaan. Dat maakt dat het ontbindingsverzoek van ERS, hoewel op een andere grond, niet ten onrechte is toegewezen. Voor het toekennen van een billijke vergoeding op grond van dit artikel is daarom geen plaats. Van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van ERS is eveneens geen sprake; dit is overigens ook door werknemer niet gesteld in zijn beroepschrift. Werknemer komt wel een transitievergoeding toe. ERS heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat werknemer door het oprichten van Mainstay 4 Brands ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld. ERS wist dat werknemer de bv zou oprichten en partijen hebben daarover gesproken. Dat werknemer de quads voor zichzelf zou hebben gebruikt, is niet door ERS toegelicht en niet aannemelijk geworden. Ook de vermeende privé-uitgaven zijn niet voldoende onderbouwd. Werknemer mag zich uitlaten over de hoogte van de transitievergoeding.