Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 maart 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:760
Feiten
Werkneemster is op 1 december 2006 in dienst getreden bij Crocs. Op 12 mei 2013 heeft werkneemster tijdens haar zwangerschap een auto-ongeluk gehad. Zij heeft zich op 14 mei 2013 ziek gemeld. Vanaf 30 juni 2014 is werkneemster gere-integreerd in de bedongen arbeid. Op 15 oktober 2015 heeft Crocs werkneemster een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedaan. Op 19 oktober 2015 heeft werkneemster zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat werkneemster niet uit dienst gaat en adviseert met aangepaste werkzaamheden te beginnen. Werkneemster heeft op 18 januari 2016 werkzaamheden verricht bij Crocs en op 19 januari 2016 meldde zij zich wederom ziek. Bij brief van 8 augustus 2016 schrijft de bedrijfsrecherche aan werkneemster dat in opdracht van Crocs een onderzoek is verricht naar de activiteiten van werkneemster tijdens haar ziekteperiode. Op 6 september 2016 heeft de bedrijfsrecherche een rapport van de bevindingen van dit onderzoek aan werkneemster verzonden. Op 17 mei 2017 meldt de bedrijfsarts dat de medische situatie onveranderd is en adviseert hij de reeds ingezette spoor 2-activiteiten te continueren. Op 20 juli 2018 heeft het UWV toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte van ten minste twee jaar. Bij brief van 25 juli 2018 heeft Crocs de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 november 2018. In eerste aanleg heeft werkneemster de kantonrechter onder meer verzocht Crocs te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 299.825,63 bruto. De kantonrechter heeft het verzoek van werkneemster tot toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW afgewezen.
Oordeel
Werkneemster heeft in hoger beroep aan haar verzoek slechts het door Crocs inschakelen van de bedrijfsrecherche ten grondslag gelegd. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat uit diverse rapporten genoegzaam blijkt dat de angst- en stemmingsklachten die zij vanaf augustus 2016 heeft ontwikkeld, een direct gevolg zijn van de brief van 8 augustus 2016 die zij van de bedrijfsrecherche ontving. Werkneemster miskent daarbij dat niet alleen moet worden vastgesteld dat het handelen of nalaten van Crocs ten grondslag ligt aan het ontstaan van de psychische klachten, maar dat Crocs van dat handelen ook een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof is van ernstig verwijtbaar handelen door Crocs geen sprake. Crocs heeft aangevoerd dat zij zich als gevolg van twijfels over de arbeidsongeschiktheid van werkneemster genoodzaakt zag een bedrijfsrecherchebureau in te schakelen om onderzoek te laten verrichten naar de activiteiten van werkneemster, gelet op de omstandigheid dat werkneemster zich na haar ziekmelding op 19 oktober 2015 na een korte werkhervatting op 18 januari 2016 wederom heeft ziekgemeld, zij daarop door de bedrijfsarts wederom volledig arbeidsongeschikt werd beoordeeld en zij reeds in het verleden waarschuwingen heeft gekregen wegens het niet voldoen aan verplichtingen rondom ziekteverzuim. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het doen controleren van een werknemer door een bedrijfsrecherchebureau slechts aanvaardbaar is wanneer tegen de werknemer ernstige verdenkingen zijn gerezen ter zake van ernstige overtredingen. Niet gebleken is dat in de onderhavige zaak sprake was van dergelijke concrete en ernstige verdenkingen. Het wantrouwen van Crocs met betrekking tot de ziekmelding van werkneemster is onvoldoende om die conclusie te dragen. Het had op de weg van Crocs gelegen werkneemster hierover aan te spreken en deze twijfels aan de bedrijfsarts voor te leggen en eventueel te verzoeken tot een herbeoordeling over te gaan. Crocs heeft met de inschakeling van het bedrijfsrecherchebureau in zoverre onzorgvuldig gehandeld. Dit brengt evenwel niet mee dat Crocs ten aanzien van de onderhavige opzegging ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:682 lid 1 sub c BW. Gelet op het vorenstaande heeft werkneemster geen recht op een billijke vergoeding.