Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 april 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1077
Feiten
X is sinds 2008 in dienst bij ISS Cleaning Service (hierna: ISS). ISS heeft een overeenkomst met Schiphol Nederland B.V. (hierna: SNVB) op basis waarvan ISS diverse facilitaire diensten aan SNVB verleent, waaronder schoonmaakdienstverlening (hierna: de Overeenkomst). Ter uitvoering van die diensten zet ISS haar eigen personeel in voor SNVB. Uit dien hoofde werd X door ISS ingezet op schoonmaakwerkzaamheden voor SNVB op de luchthaven Schiphol. In de Overeenkomst is een bepaling opgenomen dat SNVB personeel van ISS mag weigeren ‘om haar moverende redenen’. Op 4 december 2018 heeft de bedrijfsrecherche van SNVB X gehoord omtrent de omstandigheid dat op videobeelden van 29 oktober 2018 te zien is dat X in de Privium Lounge van SNVB (hiema: het Privium) een flesje cola, bestemd voor Privium-leden, drinkt. SNVB heeft vervolgens medegedeeld dat de Schipholpas van X tijdelijk, gedurende het onderzoek, wordt ingenomen. Op personen die in het bezit worden gesteld van een Schipholpas, zijn de Schipholregels van toepassing waaronder ook de Regeling Toelating Schiphol (RTS) valt. Daarbij zijn ook de Voorwaarden Schipholpas Personen van toepassing (hierna: de Voorwaarden). Bij brief van 5 december 2018 heeft ISS aan X te kennen gegeven dat hij, gedurende het onderzoek naar deze vermeende diefstal, op non-actief is gesteld met behoud van loon. Naar aanleiding van een onderzoek door de bedrijfsrecherche heeft SNVB besloten X voor onbepaalde tijd geen Schipholpas te verstrekken. Bij brief van 19 december 2018 heeft ISS kortweg aangegeven dat zij in beginsel de mogelijkheden gaat onderzoeken voor een andere werkplek voor X binnen ISS. X heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter – bij wijze van voorlopige voorziening – SNBV veroordeelt tot het teruggeven van de Schipholpas. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt X met zijn grieven op. In deze zaak heeft het hof op 10 december 2019 een tussenarrest uitgesproken. Naar aanleiding daarvan heeft op 17 februari een comparitie van partijen plaatsgevonden.
Oordeel
Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat tussen SNBV en X een rechtsverhouding bestaat die zich kenmerkt door de afgifte van de Schipholpas door SNBV, de regels waar X zich in dat verband aan moet houden en de mogelijkheid van SNBV de Schipholpas in te nemen, met alle gevolgen van dien voor X. Dit houdt in dat op die rechtsverhouding ook de redelijkheid en billijkheid een rol spelen. SNBV moest zich in dat verband dan ook bij haar beslissing de Schipholpas in te trekken mede daardoor laten leiden. Door op geen enkele wijze de belangen van X te betrekken bij de beslissing om zijn Schipholpas in te nemen heeft SNBV naar het oordeel van het hof de belangen van X ernstig veronachtzaamd en daarmee onrechtmatig jegens hem gehandeld. Als grote commerciële partijen heeft zowel SNBV als ISS geen rekening gehouden met de ongelijkwaardigheid in de verhouding met X. X heeft gedurende tien jaar onafgebroken voor SNBV gewerkt en had ook belang bij dit dienstverband. Gebleken is dat SNBV de Schipholpas vanwege misstanden heeft ingetrokken, als sanctie. Voor deze situatie kennen de Schipholregels echter andere, minder verstrekkende, sanctioneringsmaatregelen. Hiervan heeft SNBV geen gebruik gemaakt. Daarmee heeft SNBV geen rekening gehouden met de door X gestelde belangen, terwijl dat zeer wel had gekund. De slotsom uit het bovenstaande is dat de vordering tot teruggave van de Schipholpas en toelating tot de werkzaamheden om de hiervoor besproken redenen moet worden toegewezen, indien en voor zover de werkgever (ISS) X weer bij SNBV te werk stelt.