Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 november 1990 in dienst getreden van Keygene N.V. en is laatstelijk werkzaam in de functie van Vice President Finance & Control, tegen een salaris van € 11.078 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld en overige emolumenten. Met ingang van 2012 heeft Keygene een Core Team (hierna: CT) opgericht ter ondersteuning van de CEO. Werknemer maakte deel uit van dit team. Sinds 1 januari 2013 ontvangt werknemer een Core Team Toeslag (hierna: CTT). Eind juni 2019 is het CT opgeheven. Werknemer heeft zich op 6 januari 2020 ziek gemeld. Met ingang van 3 februari 2020 is werknemer op advies van de bedrijfsarts hersteld gemeld, maar met vrijstelling van werk in verband met een lopend mediationtraject tussen partijen. Met ingang van april 2020 heeft Keygene de CTT stopgezet. Volgens Keygene is de basis voor het aanhouden van de toeslag vooralsnog komen te vervallen, nu werknemer zijn managementfunctie niet meer uitvoert en duidelijk is geworden ‘dat het niet voor de hand ligt dat dit in de toekomst alsnog zal gaan gebeuren’. Werknemer vordert in kort geding veroordeling van Keygene tot doorbetaling van de CTT.
Oordeel
Tussen partijen is in geschil of Keygene gerechtigd was de betaling van de CTT aan werknemer met ingang van 1 april 2020 stop te zetten. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Daartoe wordt het volgende overwogen. Keygene heeft aangevoerd dat zij niet meer gehouden is de CTT aan werknemer te betalen omdat zij het vertrouwen had verloren dat werknemer volwaardig zou terugkeren in zijn functie of weer zijn rol als lid van het (interim-)managementteam zou gaan vervullen. De kantonrechter overweegt dat de CTT aan werknemer is toegekend in verband met de verzwaring van zijn taken en rol binnen Keygene. Van nadere voorwaarden voor het toekennen van de CTT is echter geen sprake, zoals bijvoorbeeld dat bij het niet verrichten van managementtaken of bij een opheffing van het CT, de betaling van de CTT wordt stopgezet. In een brief van 13 januari 2013, waarin de betaling van de CTT aan werknemer wordt bevestigd door de algemeen directeur, wordt de term CTT niet genoemd en wordt deze omschreven als ‘extra salarisaanpassing’, wederom zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. De CTT staat voorts op de salarisspecificaties van werknemer niet als aparte salariscomponent vermeld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in het bestek van deze kortgedingprocedure niet is komen vast te staan dat bij toekenning van de CTT de voorwaarde van het uitvoeren van managementtaken is verbonden. In de jaren daarop volgend is betaling van de CTT geen onderwerp van gesprek geweest. Op diverse momenten waar werknemer (tijdelijk) geen managementtaken vervulde, is de CTT voorts aan hem doorbetaald. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter volgt uit het feit dat de CTT ook is betaald in de periodes dat werknemer om uiteenlopende redenen geen managementtaken vervulde evenmin dat er voorwaarden verbonden waren aan de betaling van de CTT. Keygene heeft in een brief van 15 april 2020 aan werknemer medegedeeld de CTT met ingang van 1 april 2020 stop te zetten. Zij voert daartoe aan dat werknemer meermaals te kennen zou hebben gegeven dat hij niet langer managementtaken wenste uit te voeren, recent nog tijdens het mediationtraject. Werknemer heeft dit echter gemotiveerd betwist en nu Keygene haar stelling verder niet heeft onderbouwd, wordt Keygene in dit verweer niet gevolgd. Datzelfde geldt voor het verweer van Keygene dat zij de betaling van de CTT kon stopzetten omdat werknemer ten onrechte geen gehoor zou hebben gegeven aan de oproep tot het hervatten van zijn werkzaamheden. De (mate van) arbeidsongeschiktheid van werknemer is immers geen onderwerp van deze procedure. Bovendien is een oordeel daaromtrent (deels) afhankelijk van de uitkomst van het aangevraagde deskundigenoordeel, waarvan partijen te kennen hebben gegeven deze uitkomst in deze procedure niet te willen afwachten. Tot slot heeft Keygene deze omstandigheid ook niet ten grondslag gelegd aan het stopzetten van de betaling van de CTT in haar brief van 15 april 2020. Het voorgaande leidt er, voorshands oordelend, toe dat het eenzijdig stopzetten door Keygene van de betaling van de CTT per 1 april 2020 niet gerechtvaardigd was. Vooruitlopend op het oordeel in een bodemprocedure wordt de vordering van werknemer tot doorbetaling van de CTT derhalve toegewezen.