Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/IBM Nederland B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 juli 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:2087
Werknemer heeft geen aanspraak op vertrekpremie bij nieuw dienstverband binnen wereldwijde IBM-organisatie.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 2000 in dienst getreden van IBM Nederland B.V. IBM Nederland heeft met ingang van 1 februari 2011 onbetaald verlof verleend aan werknemer. Werknemer is per die datum gaan werken voor IBM Middle East (verder: IBM ME) te Dubai. Deze werkzaamheden zijn per 1 februari 2015 geëindigd. IBM Nederland heeft werknemer begin mei 2015 benaderd over een vrijwillige vertrekregeling en partijen hebben op 22 mei 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat de arbeidsovereenkomst tussen hen per 1 maart 2016 zal eindigen. Werknemer werd vrijgesteld van werk en zijn salaris zou worden doorbetaald. In het kader van herplaatsing is per 1 juni 2015 de salarisbetaling aan werknemer hervat. Op verzoek van werknemer is dat per 30 juni 2015 weer gestopt, omdat hij bij IBM ME in dienst wenst te treden. Met ingang van 23 augustus 2015 is werknemer daadwerkelijk in dienst getreden van IBM ME en werknemer heeft in verband daarmee IBM Nederland verzocht zijn ontslag te dateren op 22 augustus 2015, hetgeen IBM Nederland heeft gedaan. In eerste aanleg is de vordering van werknemer tot betaling van de volledige vertrekpremie afgwezen. Tegen deze beslissing komt werknemer in hoger beroep op.

Oordeel

Werknemer voert in hoger beroep aan dat hem is toegezegd dat indiensttreding bij IBM ME niet in de weg zou staan aan de vertrekregeling en verwijst daarbij naar diverse e-mails. Hoewel IBM in die mails erop wijst dat het uiteindelijk de beslissing is van de nieuwe organisatie om hem al dan niet aan te nemen, krijgt werknemer ook het advies om een andere functie bij een ander bedrijf te zoeken om zodoende het volledige voordeel van de vertrekregeling te kunnen krijgen. Dat advies valt niet te rijmen met het inwilligen van het verzoek van werknemer en dit laatste heeft werknemer dan ook redelijkerwijs niet in de e-mail mogen lezen. Een en ander betekent dat werknemer voorafgaand aan het aangaan van de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs heeft kunnen en moeten begrijpen dat hij bij het aangaan daarvan niet in dienst kon treden van IBM ME met gelijktijdig behoud van de voordelen van de regeling neergelegd in die overeenkomst. Aan werknemer valt toe te geven dat de letterlijke tekst van de overeenkomst enige steun biedt voor een uitleg als hij bepleit, maar gelet op hetgeen partijen eerder telefonisch hebben besproken en gelet op de hierboven genoemde e-mail, ligt die uitleg niet voor de hand. Ook de vordering tot betaling van het salaris over de maanden juli en augustus 2015 wordt afgewezen. Werknemer kan IBM Nederland niet verwijten dat zij zijn indiensttreding bij IBM ME blokkeerde. Dat hij vervolgens alsnog heeft gekozen voor indiensttreding bij IBM ME, de salarisbetalingen heeft laten stopzetten en uiteindelijk zijn dienstverband met IBM Nederland heeft beëindigd, is dan ook niet het resultaat van ongeoorloofde druk van de zijde van IBM Nederland.