Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/HVS Groep B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 13 januari 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:544
Geschil tussen voormalig werkgever en werknemer over onder andere verlofsaldo, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en afbetaling auto. Verrekening.

Feiten

Op 2 september 2002 is werknemer bij de rechtsvoorganger van HVS Groep B.V. (hierna: HVS) in dienst getreden. HVS heeft op 8 mei 2018 een auto gekocht, die op naam van werknemer is gezet en door hem werd gebruikt. HVS betaalde de (onderhouds)kosten aan de auto en werknemer ontving een tankpas. Sinds 15 april 2019 is werknemer arbeidsongeschikt en op 27 juli 2019 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. In deze procedure vordert werknemer betaling van achterstallig loon en vakantie-uren, alsmede de eindejaarsuitkering. HVS beroept zich op verrekening met de afbetalingskosten van de auto.

Oordeel

Vorderingen werknemer

De kantonrechter is van oordeel dat HVS onvoldoende heeft onderbouwd dat werknemer zich op 27 juli 2019 beter heeft gemeld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst automatisch een betermelding oplevert. Nu werknemer de betermelding ook gemotiveerd heeft betwist, is deze betermelding niet vast komen te staan. Daarom kunnen ook geen vakantie-uren in mindering gebracht worden op het saldo. Het door werknemer gevorderde bedrag van € 6.628,26 bruto vanwege niet uitbetaalde vakantie-uren zal dus worden toegewezen. Ook de door werknemer gevorderde bedragen aan (pro rata) vakantiegeld en eindejaarsuitkering zullen worden toegewezen. HVS heeft erkend dat vakantiegeld over de maanden juni en juli betaald moet worden. Nu vaststaat dat werknemer ook in augustus 2019 nog in dienst was van HVS zal het vakantiegeld ook over die maand worden toegewezen. De eindejaarsuitkering is ook verschuldigd. HVS heeft betwist dat zij die pro rata dient te betalen, omdat zij het niet in de cao of arbeidsovereenkomst kan terugvinden. Nu werknemer de vindplaats heeft aangegeven, is die betwisting onvoldoende. Dat betekent dat HVS veroordeeld zal worden tot betaling van € 894,59 bruto en € 596,57 bruto.

Verrekening met autokosten

HVS doet een beroep op verrekening van haar tegenvordering(en) met hetgeen zij nog aan werknemer verschuldigd zou zijn. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het nog af te betalen bedrag voor de auto, omdat werknemer de reiskostenvergoeding als aflossing meetelt. De kantonrechter begrijpt de stellingen van werknemer aldus dat sprake is van verkapt loon en dat om die reden deze vergoeding ook bij ziekte verschuldigd is, hoewel werknemer tijdens zijn ziekte niet reisde. Dit verweer gaat niet op. Het enkele feit dat de vergoeding een aantal maanden is uitbetaald/niet is stopgezet, is onvoldoende om te kunnen spreken van gerechtvaardigd vertrouwen. Daarom moet werknemer nog een bedrag van € 7.046,70 aan HVS voldoen. Verder staat als onbetwist gesteld vast dat werknemer, voordat de auto in 2018 werd aangeschaft, een zakelijke auto reed, waarbij werknemer al zijn kosten bij HVS kon declareren. Deze werkwijze is na aanschaf van de auto in 2018 door HVS gecontinueerd. HVS is deze kosten, waaronder de brandstofkosten, altijd blijven betalen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat werknemer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij deze kosten mocht blijven declareren. Deze kosten zijn dan ook niet onverschuldigd betaald door HVS. De kantonrechter zal alleen de afbetalingskosten van de auto in mindering brengen op het bedrag dat HVS aan werknemer verschuldigd is.