Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Hoger Onderwijs Nederland Noord-Holland Noord
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 februari 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:538
Verzoek tot betaling billijke vergoeding afgewezen. Van ernstig verwijtbaar handelen door werkgever vanwege onvoldoende zorg voor arbeidsomstandigheden en ernstige veronachtzaming van de re-integratieverplichtingen is geen sprake.

Feiten

Werkneemster is op 15 maart 2010 in dienst getreden bij Stichting Hoger Onderwijs Nederland Noord-Holland Noord (hierna: Inholland). Op 10 december 2015 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 7 maart 2016 is werkneemster op advies van de bedrijfsarts met haar re-integratie begonnen en op 15 juli 2016 is zij weer beter gemeld. Eind 2016 kwam er kritiek op het functioneren van werkneemster en heeft Inholland aan werkneemster een voorstel voor een verbetertraject gedaan. Op 10 januari 2017 is werkneemster gewaarschuwd dat indien er geen verbeteringen plaatsvinden, zij een onvoldoende beoordeling krijgt. Op 24 januari 2017 heeft een gesprek omtrent verbeterafspraken plaatsgevonden. Op 16 februari 2017 heeft werkneemster zich weer ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft toen geadviseerd dat werkneemster na twee weken kon starten met opbouwen van uren in routinematig werk zonder piekbelasting of prestatiedwang. Op 27 maart 2017 is werkneemster begonnen met haar re-integratie, maar op 3 april 2017 heeft werkneemster zich weer ziekgemeld. Vervolgens heeft de bedrijfsarts op 6 april 2017 geadviseerd dat werkneemster niet inzetbaar was voor haar eigen of ander werk. In mei 2017 heeft werkneemster haar werk op advies van de bedrijfsarts hervat. Niet veel later heeft zij zich echter weer ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan hebben werkneemster en Inholland diverse malen schriftelijk contact gehad. Uiteindelijk is in september 2017 een expertiseonderzoek uitgevoerd, waarbij is komen vast te staan dat er voor werkneemster geen benutbare mogelijkheden zijn. Ook een arbeidsdeskundig rapport wijst erop dat het eigen werk van werkneemster niet passend en/of passend te maken is. Inholland heeft de arbeidsovereenkomst per 2 augustus 2019 opgezegd. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat deze opzegging niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Inholland, op grond waarvan het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding aan werkneemster werd afgewezen. Tegen die beslissing en de gronden waarop het berust is werkneemster in hoger beroep opgekomen.

Oordeel

Werkneemster verzoekt een billijke vergoeding omdat de opzegging van haar arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Inholland bestaande in onvoldoende zorg voor haar arbeidsomstandigheden en ernstige veronachtzaming van haar re-integratieverplichtingen. Allereerst is het hof van oordeel dat de werkbelasting van werkneemster voor haar ziekmeldingen geen ernstig verwijtbaar handelen oplevert. De klachten van werkneemster ten aanzien van de eerste re-integratie in 2015 hebben evenmin succes, reeds omdat werkneemster op 15 juli 2016 beter is gemeld en haar re-integratie dus als geslaagd moet worden beschouwd. Voorts overweegt het hof dat het opleggen van een verbetertraject in een geval als waar het hierom gaat niet als ernstig verwijtbaar handelen kan worden aangemerkt. Het functioneren van werkneemster stond immers daadwerkelijk ter discussie en werkneemster was op dat moment niet ziek. Kennelijk was de dreiging van Inholland met een onvoldoende beoordeling de aanleiding dat werkneemster op 16 februari 2017 opnieuw is uitgevallen. Deze gang van zaken valt te betreuren, maar kwalificeert evenmin als evident ernstig verwijtbaar handelen door Inholland. De stukken vanaf februari 2017 tot einde dienstverband laten geen andere conclusie toe dan dat werkneemster in deze periode om medische redenen niet tot re-integratie in staat was. Er zijn geen aanwijzingen dat Inholland de adviezen van de bedrijfsarts niet heeft nageleefd, dus het oorzakelijk verband tussen de aan Inholland verweten tekortkomingen en het mislukken van de re-integratie ontbreekt. Dat de bedrijfsarts aanvankelijk de ernst van de situatie niet heeft onderkend, kan niet aan Inholland worden verweten. Het hof komt tot de conclusie dat uit al het voorgaande niet is af te leiden dat Inholland ernstig verwijtbaar onvoldoende zorg heeft gehad voor de arbeidsomstandigheden van werkneemster, of haar re-integratieverlichtingen jegens werkneemster heeft geschonden. Ook anderszins is niet gebleken dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Inholland. Er is dan ook geen grond om aan werkneemster ten laste van Inholland een billijke vergoeding toe te kennen.