Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 29 maart 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:1190
Feiten
Werknemer is op 1 november 1984 in dienst getreden bij werkgeefster. In de jaren 1987 tot en met 2019 heeft werknemer steeds een jaarlijkse gratificatie ontvangen, met uitzondering van de jaren 1996 en 2015. Werknemer heeft zich op 10 december 2018 ziek gemeld in verband met een burn-out en is arbeidsongeschikt gebleven. Het UWV heeft werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geoordeeld en hem bij beslissing van 18 december 2020 een IVA-uitkering toegekend per 10 december 2020. Op 21 december 2020 schreef werkgeefster aan werknemer dat een ontslagaanvraag bij het UWV is ingediend. Werknemer heeft niet op brieven van werkgeefster gereageerd, maar in een reactie op de ontslagaanvraag heeft werknemer aangegeven dat werkgeefster niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In deze procedure verzoekt werknemer betaling van de gratificaties over 2019 en 2020, alsmede een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding.
Oordeel
De gratificaties over 2019 en 2020
De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster de gratificaties over 2019 en 2020 aan werknemer is verschuldigd, omdat uit de arbeidsovereenkomst niet blijkt dat persoonlijk functioneren als voorwaarde is opgenomen voor toekenning van een gratificatie. Gratificatie is slechts afhankelijk gesteld van het bedrijfsresultaat en niet is gebleken dat het niet-toekennen van een gratificatie is gebaseerd op dit bedrijfsresultaat. Werkgeefster kan het werknemer niet verwijten dat hij geen bijdrage heeft geleverd aan het bereiken van het bedrijfsresultaat en de gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van werkgeefster. Voorts overweegt de kantonrechter dat het niet uitbetalen van een gratificatie aan een zieke werknemer tot een ongeoorloofd onderscheid tussen een zieke en niet zieke medewerker leidt. Gezien de ziekte van werknemer en het beleid van werkgeefster dat in het tweede ziektejaar 70% van het salaris wordt uitbetaald, zal over 2019 een gratificatie van 100% van één maandsalaris en over 2020 een gratificatie van 70% van één maandsalaris worden toegewezen.
Transitievergoeding
De kantonrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat werkgeefster aan werknemer een transitievergoeding verschuldigd is. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de transitievergoeding. De kantonrechter oordeelt dat aan werknemer een bedrag van € 102.756,29 aan transitievergoeding toekomt (gebaseerd op het brutomaandsalaris van € 8.563,02, vermeerderd met de vast overeengekomen looncomponenten). Bij de berekening van dit bedrag is het gemiddelde van de over 2017, 2018 en 2019 verschuldigde gratificaties (€ 9.431,33) meegenomen. De kantonrechter volgt werkgeefster niet in haar stelling dat kosten in het kader van het tweede spoor voor werknemer in mindering moeten worden gebracht op de transitievergoeding, omdat niet aan de voorwaarden van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding is voldaan.
Gefixeerde schadevergoeding
Werkgeefster stelt dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Gezien de gemotiveerde betwisting van werknemer is het echter onvoldoende om dit uit de WIA-aanvraag van werknemer te concluderen. Dit geldt tevens voor de enkele berusting van werknemer in het door werkgeefster geïnitieerde ontslag. Nu geen sprake is van een verleende ontslagvergunning, noch van beëindiging met wederzijds goedvinden, heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer op onregelmatige wijze opgezegd. Het verzoek tot toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding van werknemer wordt toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter uit billijkheidsoverwegingen wel aanleiding ziet om het door werkgeefster gedane beroep op matiging toe te wijzen.