Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Indooruitstroom Recruitment B.V.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 6 april 2021
ECLI:NL:RBOVE:2021:1489
Werknemer wordt niet in belangrijke mate belemmerd door het relatiebeding elders werkzaam te zijn. Vordering tot opschorting afgewezen nu het niet opstellen van een beoogde lijst met relaties die werknemer wenst te beschermen, voor (bewijs)risico komt van werknemer.

Feiten

Met ingang van 1 maart 2019 is werknemer in dienst getreden bij Indooruitstroom Recruitment B.V. (hierna: IR) in de functie van manager recruitment en interim. In de arbeidsovereenkomst is onder meer een relatiebeding opgenomen. Tijdens de onderhandelingen heeft werknemer per e-mail geschreven dat hij graag zou zien dat de klanten van IR gespecificeerd worden onder het relatiebeding, omdat hij op grond van het huidige beding ook zijn eigen contacten niet meer mag benaderen en dat vindt hij te ver gaan. In een addendum bij de arbeidsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat de aandeelhouders van IR 4,9% van de aandelen zullen overdragen aan werknemer. Tot een overdracht van deze aandelen is het echter niet gekomen. Vanaf september 2020 is tussen partijen meerdere keren gesproken over de beoogde participatie van werknemer in IR. Per e-mail van 5 oktober 2020 heeft werknemer een arbeidsvoorwaardenvoorstel gedaan. IR heeft met dit voorstel niet ingestemd en heeft op 14 november 2020 een tegenvoorstel gedaan. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. Op 30 november 2020 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 januari 2021. Ter afwikkeling van het dienstverband heeft IR naast de gebruikelijke afrekening een bedrag van € 7.000 voldaan in het kader van de aandelenwaarde. Op 10 december 2020 heeft Madebymousses, een klant van IR, aan werknemer gevraagd of werknemer iets voor haar kan betekenen. In reactie daarop heeft werknemer per e-mail laten weten dat hij per 1 januari 2021 bij Nedec in Zwolle begint en deze aanvraag daar zal oppakken. Op 5 januari 2021 heeft werknemer met zijn zakelijke e-mailaccount van Nedec contact opgenomen met Mosadex en heeft hij aangegeven een afspraak te willen plannen. Verder heeft hij aan Mosadex gevraagd of zij nog openstaande vacatures had en heeft hij laten weten dat hij nog een goede logistieke man beschikbaar had. Mosadex is een klant die diensten afneemt van IR. In conventie vordert werknemer veroordeling van IR tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.000 per maand in de maanden januari 2021 tot en met december 2021 en opschorting van de werking van het tussen partijen geldende relatiebeding met ingang van de dag van het vonnis tot 31 december 2021. In reconventie vordert IR werknemer te gebieden om gedurende de looptijd van het geheimhoudings- en relatiebeding zich te onthouden van overtreding daarvan. Verder vordert IR dat werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de contractueel overeengekomen boete.

Oordeel

Vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat werknemer niet in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van IR werkzaam te zijn. Het beding dat partijen hebben afgesproken kwalificeert niet als een concurrentiebeding. Het is werknemer toegestaan om concurrerende werkzaamheden te verrichten, hetzij in een eigen onderneming hetzij bij een concurrent van IR. Werknemer is ook geen geografische beperking opgelegd. Verder geldt het relatiebeding slechts voor de periode van één jaar, zodat werknemer ook in tijd niet langdurig belemmerd wordt om anders dan in dienst van IR werkzaam te zijn. Dat werknemer niet in belangrijke mate wordt belemmerd blijkt ook uit het gegeven dat hij na het einde van zijn dienstverband aansluitend een nieuwe dienstbetrekking heeft aanvaard bij Nedec met eenzelfde salaris als waarop hij recht had gehad bij aanvaarding van het aanbod van IR van 14 november 2020. Weliswaar ontvangt werknemer bij Nedec geen bonus en dividenduitkering, zoals hij heeft aangevoerd, maar dit brengt nog niet mee dat sprake is van een belemmering om bij een andere werkgever werkzaam te zijn. Een forse achteruitgang in salaris, waardoor werknemer belemmerd wordt om anders dan bij IR werkzaam te zijn, is daarom niet aannemelijk geworden. Tot slot heeft werknemer aangevoerd dat hij wordt beperkt in zijn functie bij Nedec, omdat hij zijn eigen relaties niet mag benaderen. De kantonrechter volgt werknemer niet in zijn standpunt. Werknemer heeft aangevoerd dat zijn kring van relaties erg groot is. Hij heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij circa 3.500 relaties heeft op LinkedIn. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat niet iedere relatie op LinkedIn gelijk kan worden gesteld met een potentiële zakelijke relatie neemt de kantonrechter wel aan dat werknemer beschikt over een uitgebreid netwerk. Die relaties zullen niet allemaal zijn overgegaan naar IR, aangezien onweersproken is gesteld dat IR haar omzet voor 80% uit de klant Mosadex haalt. Dat brengt mee dat voorshands moet worden aangenomen dat werknemer nog over voldoende zakelijke relaties beschikt die hij vrijelijk kan benaderen om zijn functie bij Nedec invulling te geven. Daar komt bij dat IR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eventuele schade, omdat werknemer onterecht een relatie niet heeft kunnen benaderen wegens een onterecht beroep op het relatiebeding, niet kan worden gevorderd op grond van artikel 7:653 lid 5 BW. De primaire vordering van werknemer wordt afgewezen.

Opschorting van het relatiebeding

Naar het oordeel van de kantonrechter is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van IR geen sprake. Ten aanzien van de gestelde afspraken omtrent de overdracht van de aandelen geldt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van IR. Uit de processtukken leidt de kantonrechter af dat IR zich wel degelijk actief heeft opgesteld inzake de overdracht van de aandelen, maar dat zij daarbij op een administratief probleem stuitte, waar werknemer voldoende van op de hoogte werd gehouden. Omdat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van IR vooralsnog niet blijkt, zal de kantonrechter het relatiebeding niet op grond van artikel 7:653 lid 4 BW terzijde stellen. Tot slot heeft werknemer aangevoerd dat het relatiebeding niet van toepassing is op door hem aangebrachte klanten. Uit de redactie van het relatiebeding leidt de kantonrechter af dat partijen, op initiatief van werknemer, inderdaad hebben beoogd om de relaties van werknemer uit te sluiten van het relatiebeding. Werknemer heeft ingestemd met het van tevoren opstellen van een lijst hiervoor. Een dergelijke lijst is echter door geen van partijen opgesteld. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het aan werknemer was, die een uitzondering wenste op het relatiebeding en daarbij belang had en die bovendien zelf wist welke relaties hij wilde beschermen, om een lijst op te stellen. Nu zo’n lijst er niet is gekomen, komt dat vooreerst voor (bewijs)risico van werknemer. Voor het schorsen van het relatiebeding is dan ook geen aanleiding. De subsidiaire vordering van werknemer zal daarom eveneens worden afgewezen.

In reconventie

Vanwege het ontbreken van spoedeisend belang wordt de vordering tot toekenning van een voorschot op de contractuele boete afgewezen. Ten aanzien van de vorderingen om werknemer te gebieden zich te houden aan het geheimhoudings- en relatiebeding is wel sprake van een spoedeisend belang. IR heeft er belang bij om haar relaties en haar bedrijfsgevoelige informatie te beschermen. Werknemer heeft weliswaar gesteld dat hij de relaties van IR niet zal benaderen zolang niet vaststaat of het relatiebeding geldig is, maar dat standpunt vindt geen steun in de feiten. Werknemer heeft niet betwist dat hij met Madebymousses en Mosadex contact heeft gehad. IR heeft daarom belang bij het gevorderde gebod aan werknemer om zich te houden aan het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding. De kantonrechter wijst deze vorderingen dan ook toe.