Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 mei 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:1474
Feiten
Werkneemster is op 1 augustus 2018 in dienst getreden van Albron Nederland B.V. (hierna: Albron). Op 21 augustus 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Uit de probleemanalyse van 13 november 2018 blijkt dat zij beperkingen heeft als gevolg van haar zwangerschap. Nadien is meermaals discussie ontstaan tussen werkneemster en Albron, onder andere over de passendheid van de werkzaamheden en/of de arbeidsomvang. Op 22 februari 2019 is het zwangerschapsverlof van werkneemster gestart en op 2 april 2019 is zij bevallen. Op 14 juni 2019 is haar bevallingsverlof geëindigd en heeft zij haar werkzaamheden hervat en vanaf mei 2019 tot 2 januari 2020 heeft werkneemster kolfverlof gekregen. Op 27 december 2019 heeft Albron werkneemster laten weten dat haar arbeidsovereenkomst na 31 januari 2020 niet meer zal worden verlengd. Later die dag heeft werkneemster ter toelichting telefonisch contact opgenomen. Van dit gesprek heeft zij (buiten medeweten van haar leidinggevende om) een opname gemaakt. Bij brief van 15 januari 2020 heeft Albron aan werkneemster bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met werkneemster niet zal worden verlengd. In eerste aanleg heeft de kantonrechter het verzoek van werkneemster tot toekenning van een billijke vergoeding afgewezen. Tegen deze beslissing komt werkneemster in hoger beroep op.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof vormen de uitlatingen van de leidinggevende tijdens het telefoongesprek van 27 december 2019 onvoldoende grond voor het vermoeden dat Albron de arbeidsovereenkomst met werkneemster niet heeft verlengd vanwege het feit dat zij vrouw en/of moeder is. Uit het verslag van dat telefoongesprek kan worden afgeleid dat werkneemster meerdere malen om een bevestiging heeft gevraagd van haar aanname dat haar arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege haar ‘vrouwelijke rechten’. De leidinggevende heeft daarop steeds geantwoord dat het niet te maken heeft met haar zwangerschaps- en/of kolfverlof, maar met haar houding en gebrek aan loyaliteit en flexibiliteit. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof uit dit telefoongesprek geen aanwijzing worden afgeleid dat Albron het dienstverband met werkneemster niet heeft verlengd vanwege haar geslacht en/of moederschap. Een andere indicatie voor die conclusie is dat Albron de arbeidsovereenkomst met werkneemster eerder wel al heeft verlengd tijdens haar zwangerschap op 1 maart 2019 en daarna nogmaals tijdens haar kolfverlof op 1 september 2019. Daar komt bij dat Albron navraag heeft gedaan bij collega’s over het werken met werkneemster. Ook daaruit volgt dat Albron de arbeidsovereenkomst vanwege haar houding niet nogmaals heeft verlengd. Gelet op het voorgaande acht het hof de door werkneemster gestelde feiten onvoldoende om tot het vermoeden te komen dat sprake is van verboden onderscheid naar geslacht (zwangerschap). Van ernstig verwijtbaar handelen door Albron op deze grond is daarom geen sprake. Voorts is naar het oordeel van het hof tevens niet komen vast te staan dat Albron in strijd met het plan van aanpak heeft gehandeld door tijdens de ziekte van werkneemster geen passende werkzaamheden aan haar aan te bieden en eenzijdig haar inzetbaarheid aan te passen. Albron heeft toegelicht dat zij juist in het belang van werkneemster diverse voorstellen heeft gedaan en omdat werkneemster daarmee niet akkoord ging, zijn de wijzigingen nadien nooit doorgevoerd. Van een eenzijdige wijziging door Albron van de inzetbaarheid en arbeidsduur van werkneemster is dan ook geen sprake. Aldus heeft Albron de haar verweten probleemsituaties voldoende weerlegd en kan niet worden geoordeeld dat Albron ernstig verwijtbaar heeft gehandeld waardoor de arbeidsrelatie tussen partijen is verslechterd. Op grond van het voorgaande is het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding niet toewijsbaar.